Kerstkabouters uit Scandinavië: tomte, nisse en gardvord

Door Abe de Verteller op

Theodor Kittelsen

Zoals wij in Nederland Sinterklaas hebben en in Amerika de Kerstman, zo hebben de Scandinavische landen de kerstkabouter! In Noorwegen heet hij julenisse, in Zweden jultomte. Dit kan je vertalen als kerstkabouter. In Finland hebben ze de joulupukki, oftewel de kerstbok. Hieronder ga ik deze figuren aan jullie introduceren en verklaren hoe zij gekoppeld zijn geraakt aan de kerst.

Naam en geschiedenis van tomte en nisse

Wat wij in Nederland een kabouter zouden noemen wordt in Scandinavië een nisse of tomte genoemd. Hij heeft meestal het voor ons bekende uiterlijk van een klein, oud mannetje met een lange, witte baard en een conische rode hoed, maar hij is iets groter, meer de lengte van een dwerg (60-90 cm).

Theodor Kittelsen 1887

Verder wordt hij beschreven als lelijk, met een dikke onderlip, grijze kleding, schitterende ogen en maar vier vingers aan elke hand. Dit wezentje wordt meestal ‘nisse’ genoemd in Noorwegen en ‘tomte’ in Zweden, al zijn er uitzonderingen. Het woord ‘nisse’ wordt rond 1600 het eerst genoemd en zou geliefde, kleine verwant betekenen. Een bijnaam van de nisse is Niels, wat – opmerkelijk genoeg – ook een naam is voor sint Nicolaas in Scandinavië. De tomte wordt al genoemd in een citaat van sint Birgitta uit de veertiende eeuw waarin ze waarschuwt tegen ‘tompta gudi’ oftewel tomte-goden. Tomte betekent man van de hoeve of nog specifieker: van de samengepakte grond onder de boerenhoeve.  De namen ‘nisse’ en ‘tomte’ hebben geleidelijk aan andere benamingen voor soortgelijke wezens overgenomen. Alleen lokaal komen we soms nog de gardvord (tuinbewaker), de haugbonde (bewoner van de grafheuvel) en de tunkall (tuinkerel) tegen. Dit zijn allemaal solitaire wezens. (1)

Het werk van de nisse

De nisse houdt een oogje in het zeil over alle werkzaamheden op een boerenhoeve. Als dit allemaal zorgvuldig en ijverig gedaan wordt, dan zal de nisse geluk en zegen brengen. Hij helpt soms zelfs mee en draagt balen hooi naar de schuur of verzorgt de paarden. Echter bij slordigheid, luiheid, vloeken, of mishandelen van de dieren kan zijn humeur omslaan: hij breekt dan dingen of gooit ze omver, hij bindt de staarten van de koeien aan elkaar vast of slaat de melkmeid. Hij kan je zelfs bijten! Een dergelijke beet is giftig en je zult er niet van herstellen. De nisse is niet te onderschatten, hij is oersterk en kan je in de lucht gooien tot boven het dak en je dan weer opvangen! Ook kan hij de voorraadschuur (stabbur) op zijn rug tillen. (2)

De nisse als eerste bewoner

Olaus Magnus 1555

Van de nisse (en de tomte) werd gezegd dat het de ziel was van de eerste bewoner van de hoeve die het land rondom ontgonnen had. Deze ziel kon geen rust vinden en bleef op het erf rondspoken. Toch was het geen slecht spook. Bij de oudere benamingen ‘gardvord’, ‘tunkall’ en ‘haugkall’ of ‘haugbonde’ is de associatie met de oudste bewoner nog sterker. Haugkall betekent man van de grafheuvel. Als er een grafheuvel op het erf van de boerderij lag dan woonde de nisse daar. De grafheuvel is natuurlijk ook de plaats waarin de vroegste bewoners werden begraven. Dit wezen kon ook in de grootste boom op het erf (vårdträd) wonen of in het voorraadhuisje (bu of stabbur).
Omdat dit allemaal riekte naar heidense voorouderverering werd de nisse door de kerk als een demon gezien. Boeren die een nisse op het erf hadden werden ervan beschuldigd dat hun rijkdom oneerlijk verkregen was. Het mannetje zou hooi en graan stelen van de buren en naar zijn eigen hoeve toe slepen. De boter op de pap die hij kreeg zou hij bewaren om er de zielen mee te braden van degenen voor wie hij had gewerkt.. (3)

De Gardvord

De voorloper van de tomte en nisse is de ‘gardvord’ of de ‘tunkall’ en in sommige plaatsen bleef men deze oude benamingen gebruiken. Deze gardvord bracht vruchtbaarheid en geluk aan de boerderij. Hij beschermde de boerenhoeve, zijn vee en zijn bewoners. In sommige verhalen beschermde hij de boer zelfs door trollen te verjagen. Hij is mogelijk de ‘rudkall’ oftewel de man die als eerste het land heeft gecultiveerd en de boerderij heeft gebouwd. Dit ‘spook’ werd niet gevreesd, maar geëerd. Hij kon zichzelf heel klein maken, maar meestal was hij juist groot, zo groot dat hij met zijn ellebogen op het dak kon leunen. Hij kon zich ook in de vorm van een dier veranderen. (4)

De vårdträd; beschermende geest van de boom

vårdträd voor een huis in Lillån, Närke

De gardvord woonde vaak in de centrale boom op de hof. Die boom wordt in Zweden de vårdträd genoemd en in Noorwegen de ‘tuntre’ (hofboom). Meestal was dit een linde, es, eik of beuk. Bij de ontginning van de grond en het bouwen van de boerenhoeve werd er meestal ook een boom op een centrale plek op het erf, nabij het woonhuis geplant. De zaailing van deze boom zou uit een heilige plaats in het woud komen. Bij het sterven van de stichter van de boerenhoeve kon het gebeuren dat zijn geest zich terugtrok in deze boom. De vårdträd werd daarom met groot respect behandeld. ‘Vård’ (in vårdträd) betekent waard of beschermer. Het is de geest van de stichter die in de vårdträd huist en de beschermer is geworden van de hoeve. Van deze gardvord wordt gezegd dat hij zal verdwijnen als de boom doodgaat. Daarmee lijkt hij op een dryade of boomgeest. (5)
Op feestdagen werd er bier of melk over de wortels van de boom gegoten als offer aan deze beschermende geest en met kerstavond werd er pap en haverkoekjes in de boom gezet als geschenk voor de gardvord. Zo hoopte de boer ziekte en ongeluk van mensen en vee te voorkomen. Niemand zou het wagen om een takje van de boom af te breken. De kans was namelijk groot dat de geest dan wraak zou nemen en dat je ziek werd. Er wordt zelfs beweerd dat de beroemde kosmische boom Yggdrasil, de vårdträd was voor de goden van de Asgaard. (6) Ook nu nog zal een grote boom naast je huis op bijna iedereen een merkbare, positieve invloed hebben.

De gardvord in het voorraadhuisje

Nog vaker woonde de gardvord in de ‘bu’ of ‘stabbur’ een speciaal huisje op het erf dat diende als voorraadschuur (ook voor opslag van de luxe artikelen en zondagse kleren) en gastenverblijf. Dit houten huisje is smal van onderen en wordt breder met vaak een omloop op de eerste verdieping. Hier op de eerste verdieping was er voor de gardvord een bed gemaakt, wat alleen hij mocht gebruiken. Hij is daarom te zien als een geëerde gast. Wie toch in zijn bed probeerde te slapen werd er – volgens de sage – onherroepelijk en niet zachtzinnig, door onzichtbare handen uitgeknikkerd. De gardvord kreeg – zoals gezegd – met kerstmis een bord pap met boter als geschenk voor zijn goede diensten. Dit wordt soms gezien als een offer aan de geest en als een overblijfsel van heidense voorouderverering. (7)

De gardvord verdreven

Houtsnede Hans Gerhard Sörensen

In latere sagen wordt de gardvord van het erf verbannen. Dit gebeurde omdat een dergelijk geloof niet meer paste bij de moderne bedrijfsvoering, of anders omdat het vermoeden bestond dat de geest een soort van duivel was. De priester dreef hem dan uit, zoals hij ook de duivel met zijn geestelijke kracht kon uitdrijven. Of anders jaagde de boer hem weg met zijn fysieke kracht:
In een verhaal uit Noorwegen was een sterke boer het zat dat zijn gasten uit het bed in de ‘bu’ werden gegooid en ging er op een nacht zelf in slapen. Ook de boer werd aangepakt, maar hij liet zich niet wegjagen. Hij stak zo wild om zich heen met zijn mes dat de gardvord zelf moest weg vluchten naar de stal. Ook daar werd hij weggejaagd en toen hij van het erf was gevlucht huilde de gardvord onbedaarlijk. Of dit een slimme actie was van de boer is maar zeer de vraag want net als bij de nisse en de tomte neemt de gardvord het geluk van de boerderij met zich mee als hij vertrekt. De gardvord werd vanaf de negentiende eeuw telkens vaker nisse of tomte genoemd en veranderde daardoor in uiterlijk richting de ons bekende huiskabouter. (8)

Kerst met de nisse

Net als de gardvord eerder, wordt ook de nisse eens in het jaar beloond voor zijn diensten. Hij krijgt dan met kerstavond een groot bord met rijstepap, met daarbovenop een flinke klont boter. Een biertje erbij smaakt hem ook best. Dit zet je dan neer in de stal of schuur. Dit komt best precies: in een Noors verhaal deed de boer de klont met boter onder de pap. De nisse meende dat hij geen boter had gekregen en werd zo kwaad dat hij de koe in de stal dood maakte. Toen hij er daarna achter kwam dat de boter verstopt zat had hij spijt en zocht net zo lang tot hij een identieke koe had gevonden om de dode koe te vervangen. In andere versies krijgt de nisse elke dag pap, maar op kerstdag een speciale kom zoete rijstepap. In een Zweeds verhaal wordt gezegd dat de tomte met kerst beloond werd met wat gesponnen draad, een snuifje tabak en één schep klei. De draad was wellicht om er kleren mee te maken en de schep klei zou kunnen refereren naar de grond onder het huis waar de tomte zelf van gemaakt is. (9)

De joelbok

Voor het midden van de negentiende eeuw kwam de joelbok – joel is een oud woord voor de kerst- of midwintertijd – met kerst de cadeaus brengen voor de kinderen in Scandinavië. Dit was een volwassene of jongere die zich had vermomd met een geitenvel, een masker gemaakt van leer of berkenhout en hoorns. Hij ging verkleed als bok van deur tot deur om te vragen of er ook stoute kinderen zijn. Hij kwam ook inspecteren of de voorbereidingen voor kerst goed waren gegaan. Hij wordt het eerst genoemd in het begin van de achttiende eeuw en is dan onderdeel van een Driekoningengezelschap. De joelbokken kwamen in Noorwegen ook langs zonder cadeaus, dit heette ‘julebukking’. Als zodanig verkleedde mensen gingen langs de boerderijen en kregen dan zoetigheid en/of sterke drank. De joelbok plaagde de mensen en maakte ze aan het lachen, kleine kinderen werden vaak bang van hem. Ook moest er geraden worden wie er achter het masker stak. (10)

De joelnisse

De joelbok werd opgevolgd door de ‘julenisse’ of ‘jultomte’, vrij vertaald de kerstkabouter. In Denemarken gebeurde dit in ieder geval vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw en van daaruit verspreidde zich het gebruik naar Zweden en Noorwegen. De joelbok bleef wel meedoen en mocht hem nu dragen of de slee trekken. Met kerstavond komen deze wezens naar de verschillende boerenhoeves om daar – nu samen met de joelbok – de cadeaus te brengen. Ze kloppen op de deur en komen binnen met de cadeaus. In Finland heet de cadeaubrenger nog steeds de Joulupukki, oftewel de joelbok, maar hij heeft nu het uiterlijk van een Kerstman. De julnisse – tomte – of pukki leek in de negentiende eeuw nog het meest op een kerstkabouter, maar is geleidelijk onder Amerikaanse invloed telkens meer op de Kerstman gaan lijken. De joelbok hangt nu voornamelijk nog als versiering gemaakt van stro in de kerstboom. (11)

De genius loci

Het is voor ons zeer moeilijk voorstelbaar dat een mens zo verweven kan zijn met de plaats waar hij woont dat hij zelf na zijn dood een oogje in het zeil gaat houden. Ook de grote verering en ontzag voor de eerste voorouder, die nog aanwezig wordt geacht op een speciale plek op de boerenhoeve, is ons vreemd. Maar als je jaar in jaar uit op dezelfde plek woont, het werk doet van je vader en je voorvaderen, een werk dat volkomen verweven is met de grond en de gebouwen rondom je, dan is het niet meer dan logisch dat je verknocht raakt aan je grond en dat je overtuigd bent dat je beschermd wordt door een wezen dat groter is dan jou. Dit wezen is verweven met de plek, is de ziel van de plek. Het gaat hier om de sacrale dimensie van de ruimte, die dit keer niet in een kerk, of een plek in de natuur is, maar juist dichtbij, in je eigen leefruimte. Een speciaal plekje op je erf wordt ervoor ingeruimd (de voorraadschuur of de grote boom).
Op een speciale tijd in het jaar – met de joel/kerst – herdenk je deze geest van de plek door iets te offeren. Dit gebeurt juist met de midwintertijd omdat de tijd dan anders is. Het zijn de donkerste dagen van het jaar waarin de heilige nachten en dagen gewijd zijn. Er vindt een tijdelijke omkering plaats in ons bewustzijn, waardoor er een verschuiving plaats vindt van je aandacht van de alledaagse, naar de geestelijke wereld. Ook de ruimte wordt veranderd en geheiligd. De centrale kamer wordt versierd met groene takken, lichten en een eeuwig groene boom. We maken ons huis tot een sacrale ruimte. Dit is de juiste tijd en plaats om de ‘genius loci’, de beschermgeest van jouw huis en erf te ontmoeten.

Jenny Nyström – julnisse eind 19e eeuw

De gardvord – maar ook de tomte en nisse – houden ervan dat ze erkend worden. Zonder deze beschermgeest wordt de boerderij en het erf leger, het verliest zijn ziel. Sommige geesten zijn niet slecht, maar juist welkom! Ik voelde dan ook diep medelijden bij het verhaal van de verjaagde gardvord, die hartverscheurend moest huilen omdat hij zijn thuis was kwijtgeraakt.. Dit was vaak het einde van de goede, beschermende ziel in en rond de boerderij in Scandinavië. Het gebeurde ook dat het geloof in de gardvord (en daarmee zijn werk) overging in de – onschadelijker vorm – van de tomte of nisse. Wat kan er ten slotte demonisch zijn aan een (kerst)kabouter? Zo verloor hij echter wel veel van zijn oorspronkelijke zeggingskracht.

Conclusie

In deze donkere tijden waarin we veel binnen zitten en gekluisterd zijn aan huis en erf is het misschien goed om ons voor te stellen hoe de huiskabouter het bij ons heeft. Hoe gaat het met die ‘genius loci’, de sfeer, de geest van jouw plaats? Nu weet ik wel dat je waarschijnlijk niet meer woont op de plaats waar jouw verre voorouder zijn huis heeft gebouwd, maar elke grond is eeuwenoud en lang, lang geleden in gebruik genomen. Wat is de geest van jouw grond en hoe voelt hij of zij zich? Is er ruimte voor harmonie en vrede, is er ruimte voor vlijtige aandacht, is er ruimte voor verstilling en verdieping, waarin je vanuit je centrum alles uit jouw omgeving diep kan inademen en tot je nemen zonder weerstand en zonder wrevel. Als die geest onzichtbaar nog rondwaard, dan is kerst de tijd om die geest te eren, om je ermee te verbinden, een bord pap voor hem neer te zetten en om dan af te wachten of hij ook cadeaus komt brengen. Dit zal niet een zak met gadgets van ‘bol’ of ‘amazon’ zijn (die bestel je zelf), maar het zal het geschenk van de ‘christmas spirit’ zijn, een snuifje geluk en een hint van magie.
In een van de vele sagen rond de nisse ziet een rijke boer hoe dit wezen met moeite drie strootjes naar de voorraadschuur van het huis brengt. De boer lacht erom en wijst dit geschenk op een minachtende wijze af. Sindsdien verdween het geluk uit het huis van de boer. Had hij dit onaanzienlijke cadeau aangenomen dan zou er zegen op zijn huis hebben gerust. De voorraadschuren zouden vol zijn gebleven, maar nu sijpelde alle welvaart langzaam maar zeker weg. Geef dus eer aan je voorouders, eer de geest van de plek en geef eer aan de kerstkabouter!

Abe van der Veen

  1. https://sv.wikipedia.org/wiki/Tomte
    https://nn.wikipedia.org/wiki/Haugbonde
    https://en.wikipedia.org/wiki/Nisse_(folklore)
    Bringsvaerd, Tor Age – Phantoms and fairies from Norwegian folklore 95-102
    Raedisch, Linda – The old magic of Christmas 101-103
    Andere synoniemen en sterk verwante geesten uit Noorwegen en Zweden zijn de tomtegubbe, tufte, tuftekall, haugtuss en turvord.
  2. Bringsvaerd 95-102
  3. Bringsvaerd 95-102
  4. Bringsvaerd 89-94
  5. https://kvendel.wordpress.com/2018/06/21/midsommar-vardtrad-och-johannesort/
    https://en.wikipedia.org/wiki/V%C3%B6r%C3%B0r
    http://norwegianjournaloffriluftsliv.com/doc/192010.pdf
    Blöte-Obbes – Boom en struik in bos en veld p. 237
    De Zweedse botanicus Linnaeus is waarschijnlijk naar een linde vernoemd die diende als vårdträd. (Bomen en mensen p.266)
  6. Chadwick, H.M.  – The cult of Othin p.79
    https://woodwidewebstories.com/2019/05/17/sacred-garden-trees-of-norway-and-sweden/
  7. Raedisch 89-94
    Ik heb deze voorraadschuren in Noorwegen gezien. Ik vond ze prachtig en zeer intrigerend.

    Stabbur in de Hardangervida

  8. Raedisch 89-94
  9. Thorpe, Benjamin – Northern mythology 304
    Raedisch, Linda – The old magic of Christmas 101-103
    Tegenwoordig lijkt dit een armzalig cadeau, maar destijds waren rijst en melk nog luxeproducten.
  10. https://www.vastarvet.se/testsidor/vastarvet/kunskap–fakta/sanningar-och-myter/julbocken-djavulsfigur-och-fruktbarhetssymbol/
    https://sv.wikipedia.org/wiki/Julbock
    https://en.wikipedia.org/wiki/St._Knut%27s_Day
    http://sherpeacrossthefence.blogspot.com/2014/12/julebukking-dying-tradition.html
    Ook de laatste schoof koren van de oogst wordt de Joelbok genoemd.
    Op verschillende sites en oudere boeken wordt beweerd dat de joelbok afstamt van de bokken van de god Thor. Dit is echter speculatief, er is een oppervlakkige gelijkenis, maar directe bewijzen voor deze theorie ontbreken volledig.
    Bij het ‘joelbokken’ gaan mensen (vroeger de volwassenen) van deur tot deur waarbij ze maskers droegen, je moet raden wie er onder het masker zit, ze werden beloond met snoep. Dit werd al in de zestiende eeuw genoemd.
    In Finland werd de Joelbok ook wel Nuuttipukki genoemd en kwam dan pas met sint Cnut op 13 januari.
  11. https://en.wikipedia.org/wiki/Nisse_(folklore)#Modern_Nisse
    https://en.wikipedia.org/wiki/Julemanden

    De joelbok brengt geschenken 19e eeuw

    Joelbok brengt cadeaus – Elsa Beskow begin 20e eeuw

     

    Verkleed langs de deuren ‘Julebukking’ 1910

    Joelbokken met paard 1955

 

 

 

 

 

 

 

 

Joelbok uit Zweden 1910

Julereia – Nils Bergslien 1922

Een reactie op “Kerstkabouters uit Scandinavië: tomte, nisse en gardvord

  1. Het is een tijd van inkeer,een uitbundig feest vind ik niet passend lichtjes wel,door de korte dagen en het veel binnen zitten heb je tijd om te mediteren en gaat er je zo nu en dan een lichtje op.

Laat een reactie achter aan Franciska van der Veen Vogel Antwoord annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.