Piet als bullebak en sint als Zwarte Klaas: De vroegste bronnen van Zwarte Piet en Sinterklaas

Door Abe de Verteller op

Op de vraag – waarom is Zwarte Piet zwart? – wordt stelselmatig geantwoord: omdat hij uit de schoorsteen is gekropen. Dit is echter de kinderversie van het antwoord. De volwassen versie gaat een stukje verder. Hier zou het antwoord moeten luiden: Zwarte Piet is zwart omdat hij de opvolger is van Zwarte Klaas. Dit wordt ondersteund door vele teksten uit de achttiende en negentiende eeuw. Waarom is die Klaas dan zwart? Omdat hij een geestverschijning is. Geesten – vooral die van overledenen – worden over de hele wereld voorgesteld als wit of zwart. En inderdaad, de schoorsteen is – symbolisch – de geijkte toegangsweg van de geestenwereld naar onze wereld. Dit aspect van het sinterklaasfeest wordt stelselmatig over het hoofd gezien, omdat het ongemakkelijk aanvoelt in onze rationele tijd en natuurlijk simpelweg omdat bijna niemand dit weet. Toch is dit aspect cruciaal in het doorgronden van de betekenis van het feest. Ja natuurlijk, de mensen die zich vermommen als Sint en Piet zijn levend, maar de figuren die zij voorstellen zijn onstoffelijk. Hoe zou je je anders door een nauwe schoorsteen kunnen wringen en vliegen van dak naar dak?

Hieronder vindt je vele historische teksten als bewijsmateriaal voor deze stelling. Het is een bloemlezing die een beeld schetst van de vele vormen van Piet en Klaas tussen 1717 en 1940 en dan vooral van het fenomeen Zwarte Klaas. (1)

De onzichtbare cadeaugever

Al in de vijftiende eeuw zijn er bronnen die vertellen van maskerades met Sint Nicolaas en een gevolg van duivels (buiten het christelijke referentiekader zou je zeggen boze geesten). Deze komen echter uit Duitsland. Uit Nederland komen wel berichten uit de veertiende tot en met de zeventiende eeuw dat scholieren als bisschop verkleed rond gingen, maar niets over zijn gevolg. Met de komst van de reformatie wordt het stil  in Nederland rondom Sinterklaas als bisschop in vol ornaat. Het verkleden als katholieke bisschop werd door de protestanten niet gewaardeerd. Op veel plaatsen kwam de Sint nog wel, maar hij werd niet meer gezien. Alleen zijn cadeaus waren nog het bewijs dat hij ongezien het huis was binnengekomen. Dit vinden we bijvoorbeeld terug op het beroemde schilderij van Jan Steen en die van Cornelis Dusart.  (2)

Dusart 1687

Zwarte Sinterklaas

Harlekijn met zwart halfmasker

Door de invloed van TV en krant is het feest van Sinterklaas overal ongeveer hetzelfde geworden in Nederland. De eerste berichten over het Sinterklaasfeest uit de achttiende en negentiende eeuw lopen echter veel verder uiteen. Zowel het uiterlijk als de naam van de hoofdpersonen van het feest verschillen per bron. Het meest opvallend is nog wel de verschijning van een Zwarte Klaas, het gebruik van hoorns en maskers en de associatie met de Bullebak.

In de achttiende eeuw heeft op veel plaatsen de duivelse figuur uit het gevolg van de bisschop de plaats in genomen van de bisschop zelf! Hij neemt ook de naam van de bisschop over. Een eerste vermelding hiervan vinden we terug in 1717. In een lang gedicht vinden we deze zinsnede: Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien, In schyn van Sinte Klaas, en deelden aan hun mede. De harlekijn heeft in de comedia del’ arte vaak een zwart gemaakt gezicht of een zwart halfmasker op. Hij stamt naar alle waarschijnlijkheid af van de aanvoerder van de Wilde Jacht die ook wel Herla en Hellekijn wordt genoemd. (3)

In een beschrijving van het driekoningenfeest uit 1736 wordt vermeldt hoe één van de drie of soms alle drie koningen een zwart masker op doen of zich bestrijken met een zwart smeersel. Vervolgens staat er: Met diergelyke zottigheden vermaken de Hollanders hunne kinderen op St. Nicolaas avond. Met sint Nicolaas gebeurt er dus iets vergelijkbaars. (Ook nu nog bestaat er het gebruik van de zwartgemaakte derde koning tijdens driekoningenoptochten) In 1748 spreekt men van een ‘zwarte Sinterklaas die reed met zyn rott [ros?] op stelten‘.

Zwarte Sinterklaas Veluwe 1900

De eerste keer dat er uitgebreid gesproken wordt van deze Zwarte Sinterklaas is in 1792. In het tijdschrift De Joodsche Wandelaar staat het volgende “Mannen, wat hadden wij op Sinterklaas-avond een pret! het was een klucht, om te zien, hoe bang mijne jongens waren, ha! ik moet er nog om lachen, als ik er om denk; mijn wijf zelve, schoon zij van de vonk wist, zou wel in een hoek gekropen hebben, zoo had ik mij toegetakeld, met lappen en vodden van allerhande kleuren, mijn bakhuis had ik zwart gemaakt, en ik rammelde zoo verschrikkelijk met de ketting, dat het huis er van daverde; met een holle stem vraagde ik, of er ook stoute jongens waren? dat ik Sinter Klaas was, die nu reed, om naar jongens te zoeken, die niet wilden leren, maar die, voor zoete kinderen, appelen, noten, kastanjes, en Sinterklaasgoed had. De kinderen kropen in een hoek..”

Tante Jet speelt Sinterklaas 1881

In een Nicolaasfeest uit 1827 wordt het aldus vermeld: toen op ééns weder de kaarsen uitgingen, en wij een paar keeren het klappen van eene groote voermans zweep over onze hoofden hoorden, terwijl een holle stem ons toeschreeuwde: “vrede daar! of St. Nicolaas zal u allen met de zweep slaan, en de ondeugendste in een’ zak den schoorsteen insteken!” Eene plotselinge stilte volgde, niemand durfde spreken; alleen de moeder riep: “och, Sinter Niklaasje! de kindertjes zullen zoet zijn, ga dan nu maar heen!”. Men bragt weêr licht, en nu zagen wij, zoo wij meenden, duidelijk St. Nicolaas met een zwart gezigt, met eene ruige muts op, en eene zweep en roede in de hand, de deur uitsluipen. (4)

Dergelijke meldingen over Zwarte Sinterklazen gaan door tot 1940. In dat jaar wordt er in een tijdschrift verteld van vreemd toegetakelde jongens die als ‘Zwarte klazen’ rondzwalken en met de rommelpot van hoeve tot hoeve trekken in de omgeving van het stadje Buren in de Betuwe. Naast de schriftelijke bronnen hebben we ook nog twee afbeeldingen uit Nederland van deze Zwarte Sinterklaas. Eentje uit 1881 en een van rond 1900 uit de Veluwe. Die afbeeldingen zijn hierboven te zien. Als figuur lijkt hij veel op de – ook vaak zwart gemaakte –  ‘Knecht Ruprecht’ of ‘le père Fouettard’ (vadertje zweepslag). Dit zijn in Duitsland en resp. Frankrijk de helpers van Sinterklaas. (5)

Gaetano Chierici 1870 – Pieter mijn Knegt

Sinterklaas met masker, hoorns, huiden en kettingen

Deze figuur die zich Sinterklaas noemt, maar er totaal anders uitziet dan onze voorname bisschop Sint Nicolaas kwam soms ook met een masker voor of op een andere wijze ruig en wild toegetakeld. De eerste vermelding die ik hier van ken stamt uit 1796: ‘daar wierd een geraas als van iemand, welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yzeren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik ‘er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad ‘er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden, eene koe-huid omgeslagen, zoo dat de hoornen vlak boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbiskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke het zelfde om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende, alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: zijn hier ook stoute kinderen?

S.A. Kraus 1770-1825 – Sint Nicolaasavond

De beschrijving van van Hengel uit 1831 noemt geen masker, maar de rest is genoeg om elk kind de stuipen op  het lijf te jagen: Immers, met oogen van vuur, met kettingen, met beestenhuiden, en met al wat voor den mensch het meest verschrikkelijke was, toegerust. Zoo vertoonde zich dan ook Sint-Nikolaas, en men vergat vooral de geeselroede niet, welke het gebleken was, dat hij zoo wel te hanteren wist. De dichter de Genestet zei in 1849 over een bezoek van Sinterklaas: Hij droeg zijn kleren binnenstebuiten, en: ‘Al grommlend in den baard, die afstroomt van zijn kin, Een masker voor ’t gelaat – afschuwelijk van kleuren‘.
De Twentse Cato Elderink vertelt over haar jeugd in de jaren zeventig van de negentiende eeuw over de ‘boozenkeerl’: Hij kwam door de boozem (schoorsteen) net als Sinterklaas. Men sprak niet over de heilige man, maar over ‘de kerel die vanavond wil komen’. Er kwam er een tevoorschijn die zich lelijk toe had getakeld en waar ze bang voor waren. (6)
Uit deze voorbeelden is het duidelijk dat de figuur van Sinterklaas in de vroege periode absoluut nog niet was uitgekristalliseerd. Hij was in deze hoedanigheid in ieder geval duidelijk geen bisschop. Aanwijzingen voor zijn identiteit zijn te vinden in het zwart maken en in het vermommen door middel van een masker. Dit zijn manieren om de eigen persoonlijkheid te laten verdwijnen en om tijdelijk een geest te worden. Het woord masker komt van het Latijnse ‘masca’ wat geest of heks betekent. (7) De eerste tekst zegt specifiek dat de afschuwelijke verschijning een spook is.

De eerste tekenen van Zwarte Piet 

Mets 1895

De eerste bron die melding maakt van een Piet die kinderen bedreigd is uit 1748: ‘dat zommige ouders zoo dwaas zyn om hunne kinderen, als zy (…) het minste misdaan hebben (…) hen dreigen, dat, als ze niet zoet zyn, de zwarte man, Piet met de pooten etc. hen zal by komen. De eerste bron die spreekt van een Zwarte Piet stamt uit 1766. Hij wordt genoemd als spook oftewel geest te midden van allerlei andere benamingen van geesten: ‘Dus al wat onder naam van diergelyke grollen, Van Molik, Bullebak, van Boldergeest, van Kollen, En Toverteeven, van Kabouterman, van Schaêuw Schim, Demons, Tuimelaars, Dwaallichtjes, Bytebaauw, Spektakel, Nikker, Hex, Nachtmerrie, of Sint Felten, Oom Hendrik, Zwarte piet, of Joris op de stelten’
In 1800 wordt Piet in de bronnen voor het eerst gekoppeld aan Sinterklaas, het gaat dan echter nog om Piet Poot: ‘Schoon wij ons verheugen/ dat in ons Land/ in de Steden en ook op het platte Land/ de wezenlijke voorstellingen van eenen Sinterklaas/ merkelijk vermindert/ zo blijft echter de slechte gewoonte/om kinderen/ met den zwarten Man/Piet Poot/den Smous/den Karreman/ den Nachtwagt/ etc bang te maaken’. Ook de ‘zwarte man’ uit het gedicht komt vaker voor in connectie met Sinterklaas en als een alternatieve naam voor de zwart geschminkte bangmaker. Ook uit 1836 en 1843 zijn er bronnen waarin Sinterklaas een knecht heeft. In 1843 wordt deze – met kettingen rammelende – knecht Pieterbaas genoemd. Het is duidelijk dat Piet al ruim vòòr 1850 bestond en wellicht zelfs al bekend was in het midden van de achttiende eeuw.

Kollarz 1869

De schrijver Alberdingk Thijm schreef in 1884 over zijn jeugd zo rond 1828 het volgende: ‘Nadat de kinderen hadden gezongen kwam een ‘kinderlievende bisschop’ binnen, compleet met koorkap, witte baard en mijter. Terwijl de kinderen dansten wierp de Sint uit een zak ulevellen, chocolaadjes, suikererwten, kapittelstokjes en amandelen in de kring en vervolgens overhandigde hij, na ‘eenige kwalijk geformuleerde zedelessen’, ieder kind een geschenk uit een korf, die werd gedragen door Pieter me knecht, een kroesharige neger.’
Uit deze bron is duidelijk op te merken dat Piet(er), de knecht van Sinterklaas al vroeg, soms als een Afrikaan werd opgevat. Dit beeld wordt nog verder versterkt door het verschijnen van een zwarte knecht in het roemruchte boekje van Jan Schenkman uit 1850. Dit was echter geen uitgemaakte zaak. In een krantenbericht uit 1876 staat: ‘Sint Nicolaas met zijn zwarten knecht werd door vier zwarte paarden, door twee negers gereden, de straten doorgevoerd.’ Blijkbaar is de zwarte knecht te onderscheiden van de twee ‘negers’ en dus niet zelf per se een Afrikaan. In de negentiende eeuw was de knecht van Sinterklaas nog vaak een schrikwekkende, boze geest. Zoals in de volgende omschrijving uit 1869: ‘Hadden we kunnen vermoeden dat de angst verwekkende knecht met zijn bokkenfacie en zijn afzichtelijke horens de zoon van vaders oppasser was, dan zoude ons kinderlijk gemoed niet tot in onze diepste roerselen geschokt zijn geweest.’

De donkere knecht van Sinterklaas had tot ver in de twintigste eeuw benamingen die verschilden per streek. Hij werd o.a. Assiepan, Jacques Jour, Sabbas (Zeeland), Hans Moef, Heintje Pik, Jan de Knecht, Krik-krak, Micheltje, Nicodemus, Pieterman, Pikkie, Trappadoeli, Zwarte Jan of Zwarte Klaas genoemd.
Ook Zwarte Piet is in zijn oudste gedaante te zien als een angstwekkende verschijning van een boze, straffende geest. In een boek uit 1840 over het bijgeloof wordt Zwarte Piet genoemd als een van de namen van de duivel, naast Joost, Hans, Heintje Pik en Joris op de Stelten. (8)

Bullebak en waternekker

Sint en boeman 1840

In een drietal gevallen wordt er melding gemaakt van een ‘bullebak’ tijdens het Sinterklaasfeest. De eerste maal gebeurt dat in 1813: Onlangs hadden wij St. Nicolaas avond. Ik ben gantsch geen minnaar om, op het vrolijk feest van dien heiligen, die zulk een goed man en kindervriend is geweest, de kleine kinderen te laten verschrikken door akelige geruchten en vertooningen, of door een’ zogenaamden bullebak.’ In 1815 horen we dit opnieuw: ‘en daarom is het bang maken van jonge kinderen, voor bullebakken, zwarte mannen, voor St. Nicolaas, of wat van die natuur meer zij hoogst berispelijk’.
Uit 1821 komt de laatste uitgebreide beschrijving: ‘Toenmaals was er nog een bullebak. Dit was een grimmig man, met een zwart gezigt, of wel een masker voor hetzelve, in eene vreemde, lelijke kleeding, met een ‘zak op den rug en een bloot zwaard in de hand. Zoo ging de vreeslijke bullebak een paar dagen voor Sint Nicolaas op de straat rond, tierde, sloeg met het zwaard vonken uit de steenen, en maakte een ijslijk geweld…..” “…zelfs verstandige lieden verkleedden zich als de bullebak, en liepen wel niet de straat rond, maar daarvoor kwamen zij in de huizen hunner verwanten en bekenden, en hielden eene ontzaglijk groote roede in de hand.’ Ook de Amsterdamse Zwarte Klazen riepen rond 1871 met een ‘bullebakstem’.

Bullebak betekent letterlijk bulderend gezicht. Het was de naam voor een duivel of een boze geest en werd later meer de benaming voor een barse kerel. Hij werd voorgesteld als zwart en mismaakt. Juist in Amsterdam en andere Hollandse steden werd hij gezien als een watergeest die onvoorzichtige kinderen het water in trachtte te slepen. (9)

1875 zwarte piet als kikker

Ook de uit latere bronnen bekende ‘Heintje Pik’ als alternatieve benaming voor Zwarte Piet is een duivel èn een watergeest. (Van hem wordt in 1858 gezegd: “Zoo stelt men zich den duivel in Nederland voor als een over geheel het lichaam, zwart, kortharig mensch met een menschenvoet, een paardenpoot en eenen koestaart, wordende naar zijn zwart haar Heintje Pik genoemd.”) Verder wil ik nog wijzen op de watergeest genaamd nikker of nekker die ook voorkomt in de opsomming waarin Zwarte Piet voor het eerst wordt genoemd samen met de bullebak en de bietebauw en de opmerkelijke klankgelijkenis tussen deze zwarte watergeest en Nicolaas. Al deze dingen bij elkaar maken de zeer opmerkelijke illustratie uit 1875 van de knecht van Sinterklaas als een soort watergeest of kikker een stuk begrijpelijker! (10)

Duitse sinterklaas en gemaskerde
knecht ca 1800

Gedaanten als de waternikker, de bullebak en Heintje Pik staan ook bekend als ‘kinderschrik’. Het zijn geestwezens uit het volksgeloof. Vroeger werd hier door het volk in geloofd, maar zeker vanaf de achttiende eeuw werden zij voornamelijk nog gebruikt om er de kleine kinderen mee bang te maken. Zo konden ze door middel van angst gedwongen worden tot goed gedrag. Opmerkelijk in het gebruik van Zwarte Piet en Zwarte Klaas als kinderschrik is hun lijfelijke verschijning tijdens maskerades en tijdens een bezoek aan huis. Zij zijn dan vermomd door middel van een masker of een zwart gemaakt gezicht en zij maken vaak een hele hoop lawaai, een wild geraas. Het heeft er veel van dat zij de boemannen en de bullebakken zijn die uit het water of uit de pikdonkere nacht tevoorschijn komen om de kinderen bang te maken en in het gareel te brengen. (11)

Maskerades en lawaaioptochten

Al in een bron uit 1659 wordt gezegd: ‘Sinte Claes, die rijcke milde man, die is so goet van geven dat de Jonghe-luy hem loven met geraes.‘ In een spotdicht uit 1802 is het Sinterklaas zelf die het lawaai maakt: Zy laggen om Sint Nicolaas die met een ketting loopt en maakt een drommels groot geraas. Deze teksten doen sterk denken aan het bekende sinterklaaslied ‘Zie de maan schijnt door de bomen, makkers staakt uw wild geraas.’ Dit lied – geschreven door J.P. Heije – stamt uit 1843.
In een bericht uit 1850 lezen we iets over hoe lawaaierig het er buiten aan toe ging tijdens sint Nicolaasavond: “Gerust kunt ge u nu buiten wagen Geen zwarte kop met huiden om het lijf geslagen en hoornen op. Geen ketens ramm’len langs de keijen als van een beer, Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen Geen angstkreet meer.”
In 1863 vertelt Eelco Verwijs van geraas in Friesland: ‘Zoo bijv. vertoonen zich op St.-Nicolaasavond op het Vliet te Franeker de zoogenaamde St.-Nicolaasmannen, die vreeselijk toegetakeld en vermomd, onder vervaarlijk geschreeuw en geraas de streek langs trekken en zich aan allerlei baldadigheid overgeven.’

Groningse boerensinterklaas


Volgens ter Gouw gingen in 1871 te Amsterdam de ‘Zwarte Klazen’ rond: onder groot rumoer, en met schoorsteenkettingen een afgrijselijke muziek op de straatkeijen makende; de buurten rond, om op deuren en vensters te bonzen en met een bullebaksstem te roepen: ‘Synder ook quaje kyeren?
Er is dus sprake van het maken van lawaai door jongeren die zich zwart hadden gemaakt of anderszins hadden vermomd. Het razen wat zij doen is volgens het etymologisch woordenboek woeden, bulderen, in razernij komen of gek worden. Je zou kunnen zeggen de razende wordt uitzinnig, raakt uit zichzelf van woede en treedt uit zijn lichaam om op deze wijze geest te worden. Het is erg opmerkelijk dat de bullebak ook zijn naam ontleend aan het bulderen. Het doet denken aan de mombakkes: een woord dat soms gebruikt werd voor de watergeest, maar ook voor een bizar masker. (12)

Conclusie

Zowel Sinterklaas als Zwart Piet zijn geestwezens. Soms zijn ze belonend en wit, soms zijn ze straffend en zwart. Dit stel is een yin en yang, een ‘good cop / bad cop’. In de donkere hoedanigheid is hij een boze, dus zwarte geest. (13) In de vroegste tijd kon het ook voorkomen dat Sinterklaas alleen optrad en dan zwart van kleur was. Deze Zwarte Klaas werd langzaam maar zeker verdrongen door Zwarte Piet èn de witte Sinterklaas (met zijn witte haren en huid en witte tabberd). Dit was een proces dat één tot twee eeuwen in beslag nam. In al deze vormen waren Klaas en Piet te zien als ‘kinderschrik’. Dit zijn geesten waar vroeger het hele volk in geloofde, maar die later slechts gebruikt werden om kleine kinderen bang te maken om ze zo tot gehoorzaamheid te dwingen. Nieuwe pedagogische inzichten hebben het schrikwekkende uiterlijk van Sint èn Piet langzaam helpen afbouwen. De Zwarte Klaas verdween, de deftige bisschop mocht blijven en Zwarte Piet werd ontdaan van ketting en roe. Beiden werden uiteindelijk niet meer (h)erkend als geest. De geestelijke of desgewenst ‘bijgelovige’ kant van het feest verdween en daarmee ook de meest scherpe, ruige kant van het feest. Het feestje werd – ondanks of juist dankzij de bisschop – door en door seculier en braaf.

Heeft deze herontdekking van de betekenis van de Zwarte Klaas nog invloed op het huidige debat?  Of concreter gezegd moet Piet zwart blijven omdat hij ooit van Zwarte Klaas afstamde of omdat hij ooit meer als een zwarte, boze geest werd gezien?
Voor mij persoonlijk is de aanraking met het numineuze, met de geestenwereld, door middel van de ontmoeting met de vermomde persoon (die daardoor even geest is), of juist door zelf deze vermomde persoon te zijn, een belangrijk element in de beleving van het Sinterklaasfeest. Deze geest was in de folklore zwart, zo zwart als de nacht en zo zwart als het diepe water. Symbolisch en praktisch is het de juiste kleur. Het maakt de vermomde onherkenbaar en verhuld zijn identiteit, het maakt hem tot een geestwezen. Het is echter een klein gewicht aan de ene kant van de afweging. Andere argumenten die meer te maken hebben met de latere ‘Schenkman-Piet’ geven gewicht aan de andere kant van de schaal. Het voert te ver om dat debat te voeren in dit stuk. (14) Dit stuk is bedoeld om te kijken naar de historie van Zwarte Piet èn Zwarte Klaas.

 

Matthijs Naiveu 1703 – Feestelijkheden van Sint Nicolaas

Abe van der Veen

1) Mijn artikel is zwaar schatplichtig aan dit artikel: http://sintenpietengilde.nl/wp-content/uploads/2016/10/Zwarte-Klaas-is-Zwarte-Piet.pdf
2) Jansen, Louis – Nicolaas, de duivel en de doden 25, 30
3) http://sintenpietengilde.nl/literatuur/
Deze site is ideaal om bronnen te vinden aangaande het Nederlandse Sinterklaasfeest. Bijna alle citaten in de bovenstaande tekst komen bij deze site vandaan. Hieronder heb ik meerdere relevante citaten over de historie van sint en piet verzameld.
https://en.wikipedia.org/wiki/Harlequin
Ook Sinterklaas wordt veelvuldig in verband gebracht met de Wilde Jacht, echter harde bewijzen voor die connectie ontbreken vooralsnog.
4) Al deze citaten en ook de verdere citaten kun je hier beneden vinden of inclusief vindplaats op de site http://sintenpietengilde.nl/literatuur/
5) http://www.abedeverteller.nl/van-duivelse-pieten-en-zwarte-klazen-de-monsterlijke-helpers-van-sint-nicolaas-3/
6) Sinninghe – Overijssels sagenboek 37 Vertaald uit het Twentse dialect.
Natuurlijk zijn er ook nog de sunderums, klaasomes, sundekloazen en klozums van de Waddeneilanden. Deze figuren lijken hebben ook geen bisschopskostuum aan en waren nog rond in de Sinterklaastijd tot op de dag van vandaag!
7) https://www.etymonline.com/word/mask
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/masker
8) http://www.cubra.nl/De-paap-van-gramschap/Paap-van-Gramschap_PDFs/Weijnen_dr_A_De_knechts_van_Sinterklaas_Brabantia_Nostra_jrg-6_nr-2_nov-1940.pdf
Verhandeling over het booze wezen in het bijgeloof onzer natie – Antonie Niermeyer 22
9) http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/3297-stadslegenden-de-bullebak
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/bullebak
10) http://www.abedeverteller.nl/van-zwartepieten-negerzoenen-en-moorkoppen/
11) https://nl.wikipedia.org/wiki/Kinderschrik
12) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/mombakkes en wat betreft mombakkes als watergeest een mondelinge bron uit Amersfoort.
13) De negatieve connotatie van de kleur zwart hoeft zeker niet teruggevoerd te worden op een negatieve benadering van iemands donkere huidskleur. Zwart wordt geassocieerd met nacht, dood, aarde en veel meer.
14) Ik moet helaas erkennen dat dit diepere aspect allang niet meer wordt herkend en dit zal ook niet snel terug komen. Het feest in zijn huidige vorm is dusdanig geseculariseerd en geciviliseerd dat het niet meer uitmaakt of Piet zwart is of roetvegen heeft of anderszins. De kinderen zullen er niet minder van genieten en alle mensen met een Afrikaanse oorsprong of met een donkere huidtint zullen er dan naar alle waarschijnlijkheid meer van kunnen genieten. De volwassene met een bleke teint had al bijna de sint in de uitverkoop gezet en was dan overgelopen naar de kerstman, ware het niet dat met Sinterklaasjournaal en films de Sint weer ‘hip’ was gemaakt. Die ‘normale’ volwassen Nederlander keek ook al niet om naar meifeesten, oogstfeesten en andere allang verdwenen gebruiken en die maalt zeker niet om de diepere, esoterische betekenis van het feest. Dus waarom die hakken in het zand? Het sinterklaasfeest blijft een prachtig feest wat velen dierbaar is, maar het zal niet verdwijnen. Sint verdwijnt niet als Piet roetvegen krijgt, het kinderfeest blijft bestaan, maar verandert weer een stukje en zo is dat alle vele malen eerder zo gegaan. Dit doen is niet impliciet toegeven dat je fout zat en al die tijd racist was, maar dat je erkent dat er elementen van racisme in het uiterlijk van Zwarte Piet zitten en dat je dus over je eigen schaduw heen kan stappen. Ik zou persoonlijk kunnen leven met een roetpiet. Dit zou een mooie handreiking zijn naar degenen die moeite hebben met het racistische element dat gaandeweg toch ook in Piet was geslopen. En toch snap ik dat dit verrekte moeilijk is voor velen. Dit komt omdat de Piet-discussie onlosmakelijk verbonden is geraakt aan een breder racismedebat.
Het toegeven aan verandering wordt namelijk lastiger gemaakt doordat het lijkt dat je toe moet geven aan een leugen. De oorsprong van Piet ligt een stuk complexer dan het negerslaaf verhaal en de liefhebber van Piet doet dit geenszins vanuit racistische motieven (al zitten er zeker racisten tussen). Door zwart op te geven lijkt het dat je leugens moet accepteren als alternatieve waarheden omdat de ‘tegenpartij’ heeft gewonnen en de winnaar heeft altijd gelijk. De blanke/witte is schuldig ad infinitum, want de erfzonde van slavernij en kolonisatie blijft eeuwig aan hem plakken. Toegeven zou betekenen dat je deze erfzonde accepteert en zo maak je je eeuwig schuldig! Deze polarisering is om triest en soms ook om woedend van te worden. Pas als je je aan laat spreken door al deze beschuldigingen wordt het doen van een kleine geste – roetveeg bv. – een enorm moeilijke stap. Juist als je dit koud van je af laat glijden, omdat het werkelijk niets met jou als persoon te maken heeft, kan je grootmoedig zijn. Dan wordt het aanpassen van het uiterlijk van Piet weer een bagatelle, een kleinigheid. Je kunt een voorkeur uitspreken, maar hé waar doen we eigenlijk moeilijk over?
Maar mag dit toegeven dan ook van twee kanten komen? Wie donker van tint is kan er ook voor kiezen om zich niet te laten beledigen of te laten kwetsen. Als er duidelijk geen intentie daartoe is, is dat vrij makkelijk. Als het gaat om een licht pesterijtje – hé daar loopt zwarte Piet! – dan is dat ook prima van je af te schudden. [ik doe hetzelfde als ik weer eens nageroepen wordt met ‘hé daar loopt Jezus’ vanwege mijn lange haar en baard] Er zijn meer redenen om je zwart te schminken dan ‘blackface’ en daarom mag je moeite doen om die associatie van zwart gezicht is denigrerend kwijt te raken. Dat betekent dat negatieve gevoelens je niet meer aangedaan worden, je hebt het zelf in de hand. De ander eeuwig schuldig maken, betekent jezelf eeuwig slachtoffer maken en wie doe je daar in godesnaam een plezier mee? Hiermee ophouden is waarschijnlijk de belangrijkste handreiking naar het ‘andere kamp’.
Het lijkt mij dat iedere organisatie zelf mag bepalen welke vorm en kleur van Piet hij zal kiezen. Er is in deze tijd geen voor iedereen goede keuze te maken. Er is wel de mogelijkheid om persoonlijk ervoor te kiezen om je niet gek te laten maken, niet op de kast te laten jagen, je niet te laten kwetsen of beledigen om elkaar als medemensen te zien in plaats van ‘hullie van het vijandelijke kamp’. Dat betekent naar argumenten luisteren ook al zinnen ze je niet, daar inzichten over opdoen en je oude mening soms bijschaven, ook al doet dat even pijn, zodat je nader tot elkaar komt en dit kan en moet zelfs van twee kanten komen.

Hieronder een bloemlezing met de mijns inziens meest interessante bronnen over Sint en Piet uit de verzamelde teksten van het Sint en Pietengilde (sintenpietengilde.nl):

1659

“Sinte Claes, die rijcke milde man, die is so goet van geven
Dat de Jonghe-luy hem loven met geraes.
Soud’ er dan gheen soete lieve vreugd’ van ons worden bedreven
W’ hebben immer een veel goeder Sinte Claes:
Vredigh, vreughdigh, vroedt//Rijck van deught en goedt.
Schout en mijt al watmen mijden moet.”

“Daerom is hier sulcken groot geraes,gerammel en gebabbel,
Dattet dreunt en drillt soo singen wy Fa Sol:
Ja men geeft en goyt’er nu voor ons wel so veel goet te grabbel
’t Waer geen wonder kreegh’er een sijn Schoenen vol.
Wy zijn allegaer//Nu door hem en haer
Alsoo blijdt also of het Bruyloft waer.”

1708 De eerste keer, tot nog toe, dat we bullebak in combinatie met een zwarte kleur tegenkomen in een Nederlands boek is in het ‘Boerekermis’ (1708 – Rotgans, Lucas – pagina 51):

Die zwarte bullebak, mismaakt van top tot teen

1717 Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien, [Arlequino?]
In schyn van Sinte Klaas, en deelden aan hun meeden

1736 In Holland ziet men het gemeene volk eenigen tyd voor Kersmis byna eene volkomene mascarade aanrechten. De zangers verkiezen drie der welgemaakste van hunne bende, om de drie Koningen op een rei gaande te verbeelden. De middelste stapt statelyk voort met een groote sterre van wit papier, die aan het opperste einde van een lange stok is vastgemaakt: binnen de sterre branden een of twee kaarsen. Die dezelve draagt, doet ze omdraajen terwyl hy zingt. De drie Koningen hebben witte hembden aan, en zy zyn als gekroond met een soort van een windsel om het hoofd, dat met klatergoud versiert is. Een van de drie heeft een zwart momaangezicht voor, of zyn aangezicht is maar bestreken met zeker zwart smeersel, ook ziet men zomwyl zy alle drie zwart gemaakt zyn; Dat spel begint doorgaans half November, en eindigt met Driekoningen.”

“(b) Met diergelyke zottigheden vermaken de Hollanders hunne kinderen op St. Nicolaas avond. Picart, Bernard 1736

1748 Myn Hoogmoed! Spreek, ei spreek.
Ondeugd knielende aan de andere zyde van Hoogmoed.
Mevrouw, een woordje, want je ziet zyn hart word week;
‘k Waar laast als band dat het als boter weg zou smelten
Toen Zwarte Sinteklaas reed met zyn Rott [Ros?] op stelten.

1749. Buys , Egbert,  [over spookerijen]. De algemeene spectator 6 november 1748 (23): 178.dat zommige ouders zoo dwaas zyn om hunne kinderen, als zy (…) het minste misdaan hebben (…) hen dreigen, dat, als ze niet zoet zyn, de zwarte man, Piet met de pooten etc. hen zal by komen.

1766 De eerste keer, tot nog toe, dat de naam Zwarte Piet opduikt in een Nederlandse bron stamt uit het jaar 1766. In het boek ‘De bespookte waereld ontspookt. De duivel geroskamt en het Euangalie van den Spinnerok weerlegt.’ (uitgifte: 1766/ Paulantinus Philocalus (pseud. van Willem Ockers)  wordt de naam Zwarte Piet vermeld samen met vele andere namen voor geesten, spoken en duivels.

“Dus al wat onder naam van diergelyke grollen,Van Molik, Bullebak, van Boldergeest, van Kollen, En Toverteeven, van Kabouterman, van Schaêuw Schim, Demons, Tuimelaars, Dwaallichtjes, Bytebaauw, Spektakel, Nikker, Hex, Nachtmerri, of Sint Felten, Oom Hendrik, Zwarte piet, of Joris op de stelten, Al wat van Eunjer, Droes, van Drommel, of Harpy, Cenaurus, Hydra, of zulk zoort van zotterny, En heidens-fabelkwyl, zich immers zou vertoonen; Al wat ‘er van Sireen, van Saters, Mirmidoonen, Grypvogels, of Griffoens, en junjers, is bekend; Chimeren, en Gorgoons, en Furiën, omtrent de honderd zottigheên waarvan de ouden schrijven: Weêrwolven, boldermans, of duikers, witte wyven, Hamadryäden en Najaden; deeze ry, Met ’t gansch Scharminkelheir van helsche razerny, Nachtschimmen, schaduwen, en Avondstond-godeffen, En fantazyën, breinverbeeldingen, Inpressen, En meerder zulken. Dit, of zoortgelyk gespook en naamen; noem ik niet dan eidelheid en rook.”

1780 “Het eerste, dat een der Ouders gemeenlijk zynen kinderen, ongehoorzaam zynde, voorbehoudt, is: nu, als gy stout zyt, dan wil ik den zwarten man, met de lange baard, haalen Zijn de zelfe onwillig, of verdrietig om het vroeg naar bed gaan; iets, dat zeer natuurlyke oorzaken kan hebben, dan moet de kinderdief worden geroepen om hen in den grooten zak te steeken.” 

1792 Een alleraardigst voorbeeld vinden we in het tijdschrift De Joodsche Wandelaar uit 1792:37 “Gijs de Kleermaker.  Mannen, wat hadden wij op Sinterklaas-avond een pret! het was een klucht, om te zien, hoe bang mijne jongens waren, ha! ik moet er nog om lagchen, als ik er om denk; mijn wijf zelve, schoon zij van de vonk wist, zou wel in een hoek gekropen hebben, zoo had ik mij toegetakeld, met lappen en vodden van allerhande kleuren, mijn bakhuis had ik zwart gemaakt, en ik rammelde zoo verschrikkelijk met de ketting, dat het huis er van daverde; met een holle stem vraagde ik, of er ook stoute jongens waren? dat ik Sinter Klaas was, die nu reed, om naar jongens te zoeken, die niet wilden leeren, maar die, voor zoete kinderen, appelen, noten, kastanjes, en Sinterklaasgoed had. De kinderen kroopen in een hoek,…”

1796 En in de beschrijving van Mattheus van Heijningen Bosch: ‘waren wy in den woonkelder, welke eenige trappen diep in den grond is, gezeeten, of daar wierd een geraas als van iemand, welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yzeren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik ‘er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad ‘er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden, eene koe-huid omgeslagen, zoo dat de hoornen valk boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbiskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke het zelfde om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende, alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: zijn hier ook stoute kinderen?” 1796

1799 Dominee Hanewinkel schrijft in zijn Reizen door de Marjorij van ’s Hertogenbosch uit 1799 dat sinterklaas daar in alle dorpen zijn intrede deed: ‘Op enige derzelven rijdt één, somtijds twee mensen op een paard dan rond; zij zijn zeer misselijk, somtijds zelfs afschuwelijk uitgedost, zij werpen allerlei klein gebak onder de kinderen, die hen in menigte, met hoop en vrees bezield, navolgen en denken dat dit de ware St. Nicolaas is’.

1800 Schoon wij ons verheugen/ dat in ons Land/ in de Steden en ook op het platte Land/ de wezenlijke voorstellingen van eenen Sinterklaas/ merkelijk vermindert/ zo blijft echter de slechte gewoonte/om kinderen/ met den zwarten Man/Piet Poot/den Smous/den Karreman/ den Nachtwagt/ etc bang te maaken 

ca. 1800 De Friese volkskundige Waling Dijkstra meldt dat in Franeker aan het begin van de negentiende eeuw gemaskerde schippersknechten op sinterklaasavond onder ‘hoorngetoet en ketelmuziek’ rondtrokken, in een gewaad dat ‘lelijk en wanstaltig, ook wel onkies’ was; ‘de duivel met een zwarte keten aan het been mocht er nooit bij ontbreken’.

1802 Tevens zien we in dit spotdicht uit 1802 dat er ook helemaal geen eerbied is voor deze Sint-Nicolaas: Zy laggen om Sint Nicolaas Die met een ketting loopt En maakt een drommels groot geraas.

1802 Men had, voor tijden, en heeft nog wel hier en daar, de kwade gewoonte, dat men, op den dag, die aan eenen roomschen Heiligen, St. Nikolaas genaamd, gewijd is, kerels verkleedde en zwart maakte, die dan dien Heiligen moesten verbeelden, met rammelende kettingen aan de huizen rond gingen en de kinderen bang maakten. Den zoeten kinderen gooiden zij lekkers toe, en sloegen vaak de stoute jongens, welken zij ook eene roede bragten. […] Ik had eenen broeder, die wat wild was. Mijne ouders meenden hem te temmen, wanneer zij op St. Nicolaas, eenen zwarten man op hem afzonden. […] Men maakte hem wijs, dat St. Nikolaas hem mede nemen zou. Toen hij nu dien zwarten kerel zag, werd bij zoo bang, dat hij, over zijn gansche lijf, beefde. Hij kreeg zware galkoortsen en stierf ‘er aan. Magazijn van spreekwoorden en zedenspreuken, opgehelderd door voorbeelden en vertellingen, tot een leesboek voor de jeugd, Amsterdam: 1802, dl. 3, p. 122

1813 “Begeert gij, voorloopig, een staaltje van kinderlijk vermaak? Zie hetzelve hier. Onlangs hadden wij St. Nicolaas avond. Ik ben gantsch geen minnaar om, op het vrolijk feest van dien heiligen, die zulk een goed man en kindervriend is geweest, de kleine kinderen te laten verschrikken door akelige geruchten en vertooningen, of door een’ zogenaamden bullebak: de geenen hunner, die zich benaarstigd hebben, krijgen bij die gelegenheid van mij geschenkjes, bestaande in boeken, prenten, speelgoed, enz.;  zij, die niet wél hebben opgepast, krijgen daarëntegen niets,”.

Almanak voor de huishouding, keuken en gezondheid’ (uitgifte: 1813/ L. van Es en W. Brave).

1815 “Leentje: Zoo bang te wezen is toch wel ongelukkig, niet waar vader?

Vader: Zeer ongelukkig, lief meisje, en daarom is het bang maken van jonge kinderen, voor bullebakken, zwarte mannen, voor St. Nicolaas, of wat van die natuur meer zij hoogst berispelijk; er zijn voorbeelden dat men jonge kinderen bang heeft gemaakt, het welk stuiptrekkingen op den hals haalde, die hen altijd zijn bijgebleven.” 

1821 Voorvallen en merkwaardigheden uit het leven van den kleinen Andries, een uit het Nederduitsch vertaald boekje.  (uitgifte: 1821/ Johann Andreas Christian Löhr (pagina 28-31)

“Toenmaals was er nog een bullebak. Dit was een grimmig man, met een zwart gezigt, of wel een masker voor hetzelve, in eene vreemde, lelijke kleeding, met een ‘zak op den rug en een bloot zwaard in de hand. Zoo ging de vreeslijke bullebak een paar dagen voor Sint Nicolaas op de straat rond, tierde, sloeg met het zwaard vonken uit de steenen, en maakte een ijslijk geweld…..”

“…zelfs verstandige lieden verkleedden zich als de bullebak, en liepen wel niet de straat rond, maar daarvoor kwamen zij in de huizen hunner verwanten en bekenden, en hielden eene ontzaglijk groote roede in de hand. …. Dan dreigde hij de goddelooze, stoute kinderen, die niet eens konden bidden, in zijn’ groote zwarten zak te steken, en mede te nemen; maar waarheen? Daarvan zeide hij geen woord. Eindelijk… werd de bullebak toch milddadig, en haalde noten en appelen uit zijn’ zak, wierp die op den grond en ging met vermaningen en bedreigingen heen.”

1827 “Nu was ik eens tegen het St. Nicolaasfeest bij eenen Oom en eene Tanta te logeren. Er werden verbaasd veel toebereidselen tot dit feest gemaakt; al de schoenen en laarzen van een elftal kinderen werden schoon gemaakt en voor de bedden gezet; mandjes met frisch hooi en potten met water er bij geplaatst, opdat het paard van St. Nikolaas toch geen gebrek zoude lijden, en zoo werd de avond, onder eene mengeling van angst en hoop, waarvan ik toch niets begreep, afgewacht. Naauwelijks waren de luiken gesloten, of wij hoorden een geluid, alsof het in de schoorsteen rommelde, en plotseling werden de kaarsen uitgeblazenen wij overstort met eenen geheelen regen van suikerboonen, razijnen, pruimen, ulevellen en noten. Oogenblikkelijk hield ons vrolijk gezang en gesnap op; de eene vloog hier, de ander dáár; de kleintjes kropen weg onder het kleed hunner moeder, en ik, wurm van zes of zeven jaren, huilde van angst. “Wel, wel! St. Nicolaas komt vroeg!” zeide eindelijk de moeder, en liet de kaarsen weder opsteken. Toen wij nu al dit rondom ons verspreide lekkers zagen, grepen wij moed en begonnen te grabbelen. Dit ging echter vrij onbesuisd toe, ieder wilde het beste hebben, en toen de eerste schrik voorbij was, begonnen wij onder elkander te plukharen, en naar het verbod van Oom of Tante werd niet veel gehoord; toen op ééns weder de kaarsen uitgingen, en wij een paar keeren het klappen van eene groote voermans zweep over onze hoofden hoorden, terwijl een holle stem ons toeschreeuwde: “vrede daar! of St. Nicolaas zal u allen met de zweep slaan, en de ondeugendste in een’ zak den schoorsteen insteken!” Eene plotselinge stilte volgde, niemand durfde spreken; alleen de moeder riep: “och, Sinter Niklaasje! de kindertjes zullen zoet zijn, ga dan nu maar heen!”. Men bragt weêr licht, en nu zagen wij, zoo wij meenden, duidelijk St. Nicolaas met een zwart gezigt, met eene ruige muts op, en eene zweep en roede in de hand, de deur uitsluipen. 

1828 Hierdoor weten we nu dat roomse milieus in Amsterdam al in 1828 een levende Sint kenden. In dat jaar organiseerde een Italiaanse koopman, Domenico Arata, in zijn huis op de Herengracht een ‘strooiavond’ voor kinderen, onder wie de toekomstige schrijver Jozef Alberdingk Thijm, die bijna zestig jaar later zijn herinneringen eraan zou publiceren. Nadat de kinderen hadden gezongen kwam een ‘kinderlievende bisschop’ binnen, compleet met koorkap, witte baard en mijter. Terwijl de kinderen dansten wierp de Sint uit een zak ulevellen, chocolaadjes, suikererwten, kapittelstokjes en amandelen in de kring en vervolgens overhandigde hij, na ‘eenige kwalijk geformuleerde zedelessen’, ieder kind een geschenk uit een korf, die werd gedragen door… Pieter me knecht, een ‘kroesharige neger’.

1829 Papalief! Onze Fij
Vertelde gist’ren mij Van overoude tijden,
En van een’ Zwarten man,

Die in den avond dan
Den schoorsteen uit kwam rijden.
Hij heette Sinterklaas,  
En kwam met groot geraas 
Van Kettingen beneden,
Om al wie kwaad gedaan,  
Of stoutheid had begaan,  
Tot straf er aan te meden.

in 1831 beschrijft de Leidse hoogleraar W.A. van Hengel in Sint-Nikolaas en het Sint-Nikolaas-feest hoe zo’n Klaas er uitzag: ‘een gemeenen kluchtspeler’, in beestenhuiden gehuld en met ‘oogen van vuur’. De hoogleraar pleitte ervoor dat de bisschop in het verborgene bleef opereren:

 “Men doet, namelijk, gelijk ieder weet, Sint-Nikolaas niet slechts verschijnen, om de kinderen vrolijk te maken, maar ook, om hen wegens hunne ongehoorzaamheid te bestraffen. Hij wordt dus ook in de afzigtigste gedaante afbeeld. En de reden behoeft men niet verre te zoeken. Of hoe stelde men zich in de middeleeuw de verschijningen van bovenmenschelijke wezens voor, als zij kwamen, om eenig onregt te wreken? Immers, met oogen van vuur, met kettingen, met beestenhuiden, en met al wat voor den mensch het meest verscrhikkelijke was, toegerust. Zoo vertoonde zich dan ook Sint-Nikolaas, en men vergat vooral de geeselroede niet, welke het gebleken was, dat hij zoowel te handteren wist. Toen die vermommingen eenmaal waren ingevoerd, bleven zij van geslacht tot geslacht voortduren, en zoo zijn zij tot ons gekomen.”

1833, waarin Grootmoeder aan Betje uitlegt dat er een goede Sint Nikolaas is en daarnaast nóg eentje: de volkse variant.
“Gij ziet dus, mijne lieven! dat Betje een regt aardig kindje was; en zulke kindertjes hebben doorgaans van Sint Nikolaas een presentje te wachten.” “De andere kindertjes weten niet beter, of daar bestaat nog een Sint Nikolaas, en men maakt hen doorgaans bevreesd met den een of anderen wonderlijk aangekleeden of opgeschikten man.”

1835 Hei, hei daar, Fransje! met uw zwart momaangezigt, wilt gij uwe zusjes schrik aanjagen? 

1836 Wij moeten thands nog iets van de heilige gebruiken melden. Het alom beroemde Joelfeest, dat ten tijde van ons Kersfeest, vooral in het Noorden gevierd werd, maar ook bij de Franken bekend was, was waarschijnlijke ook hier te lande in gebruik, waarvan ik de woorden gejoelen joelen (Zweedsch alt Jula, d.i. het joelfeest vieren) afleid. Van anderen durf ik dit niet bepalen. Maar het planten met nieuwe maan, de heilige getallen, verdeeling des jaars in drie getijden, de feestvuren, de verschijning van den zwarten knecht van St. Nikolaas met kettingen, die de kinders verschrikt, en zelfs eenige regtsbepalingen in de keuren, acht ik van heidenschen oorsprong. Bergh, Laurens Philippe Charles van den 1836

ca. 1840 Ook pastoor H. Welters spreekt in 1877 over een zwarte knecht die stoute kinderen in een zak wilde stoppen. Hij herinnerde zich deze figuur uit zijn jeugd, rond 1840

ca. 1843 Bernhard van Meurs schrijft in 1894 een gedicht in Betuws dialect waarin hij spreekt over Pieter(baas) die in zijn jeugd, rond 1843:

’s Avonds ging het spul weer beginnen.
Het joeg me wel de schrik op het lijf.
Dat gerammel met de ketting.
Maar toch was ik op mijn qui vive.
Want ik trok een beetje in twijfel
de echtheid van de Sinter Klaas,
En geen zier meer kon ik geloven
aan zijn knecht de Pieterbaas.
“Stil!” riep vader bang tot moeder –
Hoor je hem?….Daar komt Pieter aan!…
Maar ze knepen samen een oogje dicht
en dat deed me veel verstaan.
Boem! daar valt een roe en strompelt
Pieter brommend uit de kast.
Al snel zag ik aan zijn kromme benen
dat het ome Gradus was.

1848 “Hebt gij wel ooit gezien, zei Jaap tegen Willem, hoe leelijk sint Nicolaas is. Wel jongen! daar kwam hij zoo zwart als een schoorsteenveger, met kettings omhangen, bij ons in de kamer. Loop, onnoozele jongen! zei Willem, men heeft u bang willen maken, er is geen sint Nicolaas. De man, die zoo heette, en die zoo veel goeds deed, is reeds lang gestorven: Het lekkers dat gij krijgt, koopen uwe ouders of vrienden.”

1849 Ook de goedheiligman in Sint-Nicolaasavond van De Genestet uit 1849 lijkt geen aanbeveling te zijn. Hij droeg zijn kleren binnenstebuiten, en: ‘Al grommlend in den baard, die afstroomt van zijn kin, Een masker voor ’t gelaat – afschuwelijk van kleuren‘. Een dergelijke Sint wilde de burgerij beslist niet over de vloer hebben.

1850 We zien dit terug in het gedicht van Harme Bevoort uit Enkhuizen, waarin sprake is van een zwarte kop, waarbij vooral dit deel van belang is: “Gerust kunt ge u nu buiten wagen Geen zwarte kop Met huiden om het lijf geslagen En hoornen op. Geen ketens ramm’len langs de keijen Als van een beer, Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen Geen angstkreet meer.”

1850 Buiten het vertrek horen wij een zware stap en een grove stem. De deur wordt langzaam geopend, en daar komt een wonderlijke, of liever een zeer lelijk toegetakelde figuur naar binnen stappen. Het is een nagemaakte sint Nicolaas. Het schrikbeeld van de lieve kleinen van vier of vijf jaren. (Anonieme tekst uit 1850)

1866 DE ZWARTE MAN

Grootmoeke wil graag rustig lezen;
De kindren krieuwen en zijn stout;
Maar Vader dreigt, stil moet je wezen!
“Ik zeg je, dat je vrede houdt!”

En moeke zegt: “Je maakt zoo’n leven.
Dat heel de buurt het hooren kan;
Ik zal je helpen, wacht maar even,
Zoo aanstonds komt de Zwarte Man.”

1869 ‘Hadden we kunnen vermoeden dat de angst verwekkende knecht met zijn bokkenfacie en zijn afzichtelijke horens de zoon van vaders oppasser was, dan zoude ons kinderlijk gemoed niet tot in onze diepste roerselen geschokt zijn geweest.’

1870 wij kopieëren zoo goed wij kunnen de verschrikkelijke Sint Nicolaassen, die wij als kinderen zagen, om toch eens regt goed de kleinen bang te maken, en wij oefenen ons, om eens zeer leelijk voor den dag te komen, met ketens en een zwart gezigt; – hoe bespottelijk! – En dan is het nog niet eens gemakkelijk die taak te vervullen; het is niet genoeg met de ketens te rammelen en te roepen >>boe! boe!”maar men moet de krulkopjes dan nog een beetje geestig weten schrik aan te jagen.”

1870 In de schemering als uw avond valt, komt op een schimmel “Sint Niklaas, goed heilig man, met zijn besten tabbaard an” uit het zonnige Spanje gereden. Zijn trouwe knecht Ruprecht vergezelt hem.

Simon Gorter

1871 Gingen te Amsterdam de ‘Zwarte Klazen’, onder groot rumoer, en met schoorsteenkettingen een afgrijselijke muziek op de straatkeijen makende; de buurten rond, om op deuren en vensters te bonzen en met een bullebaksstem te roepen: ‘Synder ook quaje kyeren?’ – ook te Franeker zag Dr. Verwijs die, ‘vreeselijk toegetakeld en vermomd, onder vervaarlijk geschreeuw en geraas de streek langs trekken.

Wie nu al de legenden van Sinterklaas in ’t genoemde ‘Archief’ vlijtig gelezen, en al zijne afbeeldingen op steenen en schilderijen, op kerkmuren en glasramen en oude munten bestudeerd heeft, zal zich verwonderen, dat er geen ziertje overeenkomst is tusschen deze en de verschijning van den zwarten man, die op een wit paard door de lucht rijdt, en van schoor 1)

J. van Oosterwijk Bruyn, de Hulpbeurs, bl. 11.

steen tot schoorsteen springt, met een knecht bij zich , omdat hij juist, op bevel van zijn meester, in een schoorsteenpijp is afgedaald, om wat hooi voor ’t paard te halen, en vervolgens een marsepeinen-hart op het tafeltje eener jonge juffrouw neêr te leggen. Ook het bulderen, dat ‘Zwarte Klaas’ doet, en het rammelen met kettingen, zijn dingen, die een’ heilige heel weinig passen, en ten slotte was de heilige bisschop ook geen moriaan. Waarom zoo’n groot verschil tusschen de populaire en de legendaire voorstelling?  p. 262

Ter gouw de Volksvermaken 1871

1880 Heel langzaam ging nu de deur open. Even langzaam trad eene lange gedaante binnen. Die had eene witte schapevacht over de schouders hangen en een grooten zwarten hoed op het hoofd. Deze hoed bedekte het geheele voorhoofd en ‘t halve gezicht, waarvan dus maar weinig te zien was. Op den rug hing een groote, grauwe zak, waarin het voortdurend rammelde. In de rechterhand hield de gedaante een ontzettend groote roe. De zwarte gedaante kwam langzaam op de beide kinderen toe en bleef voor hen staan. Deze begonnen nu bijna van angst te huilen. Hierop deed de zwarte gedaante den mond open en zei met holle stem: ‘Ik ben de knecht van Sint-Nicolaas. Goede kinderen behoeven niet bang voor mij te zijn,

1908 Het uiterlijk dat Sint Pieter uit Grouw in Friesland voor 1908 had is interessant: een ketting aan zijn been, een oude jas om waarop lekkernijen waren genaaid en een doek voor zijn gezicht die alleen zijn ogen onbedekt liet. 

1940 Wanneer we onze omzwerving op zoek naar Sinterklaaskerels, die nog niet tot bisschop- figuur gekerstend zijn, voortzetten, dan ont- moeten we in de Neder-Betuwe o.a. in de naaste omgeving van het stedeke Buren op Sinterklaasavond nog vreemd toegetakelde jongens, die rondzwalken en als „zwarte klazen” met den rommelpot van hoeve tot hoeve trekken, terwijl in den Gelderschen en Overijselschen Achterhoek Sinterklaas ook nog altijd een weinig statige verschijning is. Heu- vel beschrijft hem in zijn mooie boek „Oud Achterhoeksch Boerenleven het/ heele jaar rond”. „Jan Klaos had een baard van spietkötte ge- maakt, een wit kleed om en een hooge muts op”. Cato Elderink zegt in haar boek „Twen- therlaand en leu en léven”: „de enkele keer, dat hij werkelijk in levende lijve optrad, was het als een slordig vermomde gestalte in een krang aangetrokken, d.w.z. binnenste buiten gekeerde jas en gehuld in een wit laken.” Ook werd er niet van hem gesproken als van een vromen heiligen man, maar als van „den keerl dee van oavond wil kommen” en een heel enkele keer hoorde zij Sinterklaas aanduiden als „boozem keerl”. Deze haam duidt op zijn komst door den „boozem”, de open schouw- schoorsteen
p. 28/29 Hamer-Uitgave voor de Volksche Werkgemeenschap Dec 1940

In Westfalen en Nedersaksen werd hij ook Bullerklas genoemd naar het lawaai dat hij maakte.

Tegen 1895 was de naam Zwarte Piet overal in zwang geraakt.[47][48] Andere, meest regionale namen bleven echter nog een hele tijd in zwang, zoals Assiepan, Jacques Jour of Sjaak Sjoor (Noord-Brabant), Sabbas (Zeeland), Hans Moef, Hans van Vese (of Hansje van Kese), Heintje Pik, Jan de Knecht, Krik-krak, Micheltje, Nicodemus, Pieterman, Pikkie, Robbert, Trappadoeli, Zwarte Jan of Zwarte Klaas

2 reacties op “Piet als bullebak en sint als Zwarte Klaas: De vroegste bronnen van Zwarte Piet en Sinterklaas

  1. Interessant historische overzicht van het Sinterklaas verhaal! Zou ook eens gelezen moeten worden door mensen die zwarte piet aan de schandpaal willen hangen! Misschien dat men er dan achter komt dat niet alles is wat het lijkt en de rust rondom het sinterklaasfeest met of zonder veegpieten terugkeert.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.