Van aardmannetje tot zwarte juffer: Een lijst van Nederlandse en Vlaamse elfen en geesten

Door Abe de Verteller op

De folklore van de Lage landen is rijker aan elfen en geesten dan je zou verwachten van onze ‘nuchtere’ volksaard. Hier volgt een opsomming van alle 142 bovennatuurlijke wezens die ik in de Nederlandse en Vlaamse sagen kon vinden. (1)

Aardmannetjes: Ander woord voor kabouters. Ze zijn meestal groen gekleed. Ze verwisselen hun kinderen nogal eens voor mensenkinderen. De pijpjes die je her en der in de grond vind zijn aardmanspijpjes. In Friesland dansen ze en zingen ze een lied in het midden van een korenveld; ‘maandag, dinsdag, woensdag’. Als een bultenaar het liedje vervolgt met ‘donderdag, vrijdag’ belonen ze hem door zijn bult weg te nemen. (Ter Laan 48, 55, Teenstra 97, Waling Dykstra II 13)

Vilhelm_Pedersen_-_krasnoludek_ubt

Alruin: Giftige plant met een wortel die een vaag menselijke vorm heeft. Bij het ontwortelen zou hij een ijselijke kreet slaken die ieder die het hoorde dood deed neervallen. Wie de plant dan goed verzorgde, een bedje gaf en een kleedje aantrok, het melk en voedsel gaf, die zou van de alruin allerlei geheimen horen. Zo is duidelijk dat de plant in ieder geval een geest in zich draagt. In Friesland is alrún de benaming van een heks uit Raerd die mensen kon genezen en onttoveren. (van der Molen 140)

alruin

Alven (Gelderland, Zeeland, Vlaanderen): Zij varen in drijvende eierschalen of vliegen in zeven en maken bepaalde planten giftig. Ze wonen in  heuvels en terpen die alven of alvinnenheuvels worden genoemd. Wie de weg naar huis niet terug kan vinden is door de alf ‘verleid’ oftewel de alf heeft hem doen verdwalen. Ook dansen de elfen in een kring op het gras en verleiden mensen om mee te doen.  De ochtend daarna is er nog een kring in het gras te zien. De alf of elvinne in middeleeuwse teksten zoals de sotternie van Lippijn staat er om bekend dat ze mensen bedriegt (vandaar het Middelnederlandse woord ‘alfsgedrog’ voor een gezichtsbedrog) zodat dingen anders lijken dan ze zijn. Ook is ze verleidelijk en onzedig en wisselt ze nogal eens haar kind in voor een mensenkind. In Vlaanderen heet hun koningin Wanne Thekla. (Sinninghe33, Sin Zeeland 20, Sinninghe Gelderland 7, vd Bergh 6) Zie ook: https://www.abedeverteller.nl/elfenbedrog-en-elfenwaarheid/

Alvermannetje (Auvermannetje, avermenke): Kleine geesten te vergelijken met kabouters. Ze wonen in bergen of in huizen. Ze zijn slechts enkele centimeters groot en doen vele kleine klusjes voor de mensen, dit doen ze onzichtbaar maar wel hoorbaar. Zo poetsten en schuurden ze bv. de ketels tot ze glommen. Als er met hun gespot wordt kunnen ze tot plaaggeesten of duivels worden die mensen blind, doof of lam maken, of de kinderen uit de wieg roven. (Ter Laan 44- 46, Janssen 147)

Alvina: Luchtgeest. Als de wind huilt en buldert dan zeggen de mensen van West-Vlaanderen: Hoort! Alvina huilt. Zij is een koningsdochter die door haar ouders is vervloekt om eeuwig te dolen omdat ze trouwde met de verkeerde man. Getuige haar naam lijkt ze mij de dochter van een elfenkoning. (Thorpe 628)

Avondtroncken: Een geest die eenmaal genoemd wordt in de klucht ‘Nu noch’ (1400) in de zin: ‘bij nachtridders ende bij avondtroncken, die achter den hoven de belle cloncken’.  De naam betekent ws. avondschender. (vd Bergh 9) (Zie noot 2)

Aulken (soms Aunken, oelken, ulken) (Groningen en Duitsland): Kleine geesten die je blauwe plekken bezorgen in de vorm van een handgreep. Aulke betekend oudje.  Ze kunnen jonge vrouwen ontvoeren die dan in hun grot jonge honden moeten zogen tot ze er lange uitgerekte borsten van krijgen. Net als elven wisselen ook zij hun kinderen om voor mensenkinderen. Een lokale Drentse naam voor hondsdraf is oelkenblatties; blaadjes van de Oelk. (Ter Laan 42)

Assepoesters: Schimmen van verdrukte kinderen, die door hun stiefmoeder mishandelt zijn. Deze kinderen spoken achter de haardplaat of in de asput, door hun verzuchtingen stuift de as op.. (Teenstra 101)

Barende vrouwe (Varende moeder, Bjernavra, Windsbruid): Een opstijgende en dan weer neerdalende wervelwind. Dit is de ziel van een vrouw die in het kraambed is gestorven. Omdat ze niet heeft gebiecht gaat ze eeuwig heen en terug van hemel naar hel. In beide plaatsen kan men haar niet aannemen. (Sinninghe 62, van den Bergh 361)

Barlemanje: (Barele man, brandend manje, brande zeigertje) (Holland) Een vuurmannetje in de vorm van een balletje vuur of een ronddwalend licht. Als hij je achtervolgde moest je een zakdoek op de grond werpen, dan ging hij daar op zitten. (Sinninghe – Hollands 29,30)

Barneman  (Harderwijk): Een geest die zich langzaam voortbeweegt over het water van de Zuiderzee van de monding van de Hierdense beek naar de Harderwijker haven. Je ziet alleen maar zijn lichtje dat hij voor zich uit draagt. Dit lichtje bungelt op zijn borst. Als de Barneman wordt gezien weet men dat er noodweer op komst is. Zie ook het Laakmannetje. (Sinninghe Gelderland 10, Franke 47)

Basilisk: Fabelwezen half haan, half draak met een dodende blik. Volgens kronieken deed dit wezen in Nederland haar dodelijke werk in Dokkum in 513, in een put te Oldeboorn in 1413 en volgens een sage in de kelder van een kroeg in Utrecht. Alleen door middel van een spiegel – waardoor het zichzelf de dodelijke blik geeft – kan het monster verslagen worden. In de klucht Nu noch worden ‘cocketoijsen’ genoemd. Dit zou kunnen gaan om de alternatieve benaming van de basilisk; de ‘cockatrice’. (Teenstra 19, Sinninghe Utrecht)

Wenceslas_Hollar_-_The_basilisk_and_the_weasel

Beeldwit (Belewitte, Bilwis, blinde belie): De naam betekent witte vrouwelijke geestverschijning. We vinden haar al in de middeleeuwen. Maar in de sagen is hij iemand die met de helm op geboren is en daarom kan voorspellen wanneer iemand sterft. Hij of zij moet de ziel van iemand ‘begraven’ na of voor zijn fysieke begrafenis. ‘Je bent met de blinde belie geboren’ betekent dat je helderziend bent. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Beeldwit_(mythisch_wezen) en Henk Kooijman – Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant)

Beeldwit

Belleman (Limburg): Geest in de vorm van een lelijke hond met een bel om de hals en rammelende kettingen om zijn lijf. Hij achtervolgt nachtelijke wandelaars. (Sinninghe – Noord Brabant 56)

Biesbout (Noord-Brabant): Dit wezen komt voor in een onaf ‘tovergebed’ die door de heks Griet uit Lierop in 1595 wordt uitgesproken in een toverijproces:
‘s morgens als ik opsta,
in mijn groene gordel dat ik ga,
hoog, laag berg en dal,
biesbout zo menigvoud,
door dat wilde woud..’
Griet Mijnsheeren en negen andere heksen kennen deze spreuk en het heeft ervan dat hiermee de duivel opgeroepen wordt om hen de lucht in te voeren om te reizen naar de heksenvergadering. Het woord lijkt sterk op de bietebauw. (Otten 180)

Bietebauw (bitebau, budde): Etymologisch gezien betekent dit woord de ‘bijteblaffer’. Het is een soort bullebak of boeman die vrees aanjaagt. Een middeleeuwse verwensing is: ‘dat u den bitebou naer ’t kot der hellen vuert’. Hier is hij blijkbaar een soort duivel. Dit wezen wordt ook genoemd in een toverijproces uit Den Bosch in 1595. Daar is de ‘bitebau’ een zwart, kruipend dier zonder hoofd en zonder staart.  Een Vlaams rijmpje over de Bietebauw als kinderschrik gaat als volgt: Kleine, kleine stouterik, zoudt ge moeder tergen? Wacht ik zal hem roepen, uit de zwarte bergen. Grijp, grap, grimmeland, zonder lip of zonder tand, grijp, grap, grauw, de bietebauw! Hij wordt ook gezien als een spook in een menselijke gedaante die door mensen die met de helm op geboren zijn gezien kunnen worden. Hij doet voorspellingen aan deze mensen. Als de budde of bietebauw komt staan zij op en krijgen dan een ‘voorloop’ te zien op aanwijzing van deze geest. (Otten 181, Teenstra 97, http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/bietebauw, http://essenloog.blogspot.nl/2011/12/de-bietebauw.html)

Blauwbroek (Gelderland): Een geest die over de hei zwerft in de vorm van een gloeiende dakschoof. Het was een landmeter of een brandstichter. Hij is waarschijnlijk vernoemd naar zijn blauwe vlammetje in de vorm van een broek. (Sinninghe – Gelderland 13)

Blauwe Gerrit (Blauw Garrit) (Gelderland): De naam van een geest die onzichtbaar op karren en paarden ging zitten, zodat ze niet verder konden rijden. Hij zou gloeiende ogen hebben en een wapperende, lichtgevende, blauwe mantel. Eens hielp hij een jong meisje dat ontvoerd zou worden door een roofridder, door op zijn paard te zitten. Het beest verroerde zich niet tot de ridder afstapte. Direct sprong blauwe Gerrit op de nek van de ridder. Het meisje kon zich uit de voeten maken. (Sinninghe – Gelderland)

IMG_0002 (1431x2024)

Blauw wolkje (Enschede): In deze vorm verspreide de ziekte de pest zich door het land. Het is datgene wat men van de pestdemon kan zien. Een boerenvrouw die het blauwe wolkje onder de deur naar binnen zag komen, kwam er onverschrokken dreigend op af, waardoor het wolkje zich verschool in het stiepelgat. Zij stampte er direct de stiepel in! (de stiepel is de wegneembare stijl van een dubbele oogstdeur) (Blécourt 167)

Bloedzuiper (Bloedpater, Tenensnijder) (Zeeland, Limburg, Vlaanderen): Geest van het koren die kinderen die het koren ingaan de tenen afsnijdt om hun bloed te kunnen drinken. Ook een soort van kinderlokker die kinderen vraagt om in ruil voor goud met hem het korenveld in te gaan. Bloedpater is ook een dialectwoord voor klaproos, omdat kinderen soms het koren ingingen om klaprozen te plukken. (Sinninghe 67, Wijne – Etymologisch dialectwoordenboek)

Boeman: (lokaal: Boezeman, boozenkeerl, Boekaros, Malle Kiel/ kerel, de donkere vent, den padderen (=naakte) vent) Een geest die vooral door volwassenen wordt genoemd om kinderen schrik aan te jagen en te doen gehoorzamen. Oorspronkelijk was het een ‘boeze’ oftewel lawaai makende, kloppende geest. Later werd het woord verbasterd tot boeman, oftewel een geest die boe! roept en zo laat schrikken. Hij zou ‘s-nachts stoute kinderen weghalen. (Sin. Zeeland 44, Sin – Overijssel 37, http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/boeman)

Goya_-_Caprichos_(03)

Boezehappert  (Friesland): Benaming van de Nikker of watergeest. Trekt kinderen naar beneden als zij aan de rand van het water spelen. Hij wordt in een gedicht beschreven als  vier el lang, met gloeiende, groene ogen, grote, scherpe tanden, horens, schubben en scherpe nagels. Hij woont in diepe meren en sloten, en vangt kinderen die hij opeet. Dit maakt de ouders boos en verdrietig. Daarom moeten kinderen aan boord komen als het `s-avonds donker wordt en vooral niet bij het water blijven. (Teenstra 109,  vd Bergh 180)

jenny-greenteenth-froud

Bokkerijders (Limburg, België): Geesten die gezeten op een bok door de lucht vliegen. Zij hebben de duivel als meester. In de achttiende eeuw zwierf er o.a.  door Limburg een bende van rovers die zich ook de bokkerijders noemden.

bokkenrijder_tekening

Bornes (Zeeland): Kwade watergeest, mogelijk een duivel. De dolende ziel van een kwade rentmeester van het geslacht Bornius.

Börries (Friesland, Groningen): Naam voor de duivel in de vorm van een grote zwarte poedel of waterhond met gloeiende ogen. (Teenstra 29)

kludde_by_deborahs-d3e2nat

Budde (bietebauw): Spoken in menselijke gedaante die openbaringen en voorspellingen doen. Alleen met de helm op geboren kan je ze zien. Dezen moeten dan in stilte hun huis verlaten en kunnen dan op aanwijzing van de budde een voorloop (iets wat nog te gebeuren staat, meestal een sterfgeval) zien. (Teenstra 97)

Bullebak (bulleman) (Utrecht, Holland, Gelderland): Geest die, door in de nacht veel lawaai (bulderen) te maken mensen bang maakt. In Utrecht en Holland bekend als watergeest die kinderen met een grote haak naar beneden probeert te trekken. Ook lokt hij ze naar beneden door ze mooie lichtjes en sterretjes te laten zien. (Sin – Utrecht 187 , Sin – Gelderland 18, vd Bergh, Sinninghe – Hollands 21)

Cocketoijse: Zie bij basilisk

Draak: In een kroniek wordt gezegd dat in de 1e nC een draak uit een spleet in het Rode Klif bij Stavoren tevoorschijn was gekomen. Ook de twee eeuwen daarna kwam die draak uit zijn hol en was pas te verzoenen door een driejarig kind in de spleet te werpen. Gelderland heeft volgens een sage zijn naam te danken aan een draak die onder een mispelboom woonde en die in zijn doodsreutel ‘Gelre, Gelre’ brulde. De draak wordt genoemd in de ‘Natuurkunde van het geheelal’ (13e eeuw) van broeder Thomas: ‘Onder de wormen die zich onder de elzenboom ophouden, is er een die groter wordt dan de overigen, en ze allen verteert, na negentig jaar daar geaasd te hebben, begeeft hij zich tot een linde, waar hij weer negentig jaar zijn voedsel vindt en zich vervolgens 90 jaar in de woestijn begeeft. Hier wassen hem binnen dertig jaar vleugelen en kan hij vliegen. Deze slang wordt draak genoemd.’ (Ter Laan 78, Teenstra 15, van den Bergh 209)

Dreutel (ook wel keutel): Een aardgeest, soms verwart met de kabouter. Van hem bestaat het ws. Groningse rijmpje: ‘akke wou es kakken maar de keutel wou niet zakken, kwam de beppe met de skeppe, kwam de pake met de hake, kwam de Dreutel met de sleutel en die verloste Akke van de benauwde keutel.’ Eerst was dit dus een aardman, pas later werd hij geassocieerd met uitwerpselen. Zo is er ook het kaboutertje ‘keutelduimpje’. (Teenstra 99, vd Bergh 25)

Drol (Mogelijk verwant met de Noorse trol): Etymologisch betekent het klein, dik mannetje. Komt al voor in de middeleeuwse kluit Nu noch:  ‘Ik wil u belezen ende bezweren bij den drollen in t weerweghen’. De drol is hier nog niet puur scatologisch opgevat, maar ook als vrolijk, lachwekkend wezen die kan ‘weer wegen’ oftewel het weer veranderen. Volgens Teenstra is het een vrouwelijk nachtspook die een kind verwisselt om er een lelijk, ongezond exemplaar voor in de plaats te leggen. Mogelijk is het een soort aardgeest of kabouter. (Teenstra 95 en 99, vd Bergh 25, http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/drol1)

105r587

Drommedaris: (Bij Haren, Groningen) Legt zijn lange slurf (!?) op je schouder en loopt stil achter je aan.  (Ter Laan 61)

Duivekater (drommekater): Benaming voor de duivel in de vorm van een zwarte kat met gloeiende ogen. Tevens een soort van brood. (vd Bergh 26)

Duivel (Algemene volksnamen: De Kwade, De Boze, De oude, Bokspoot, Drommel, Droes, Heintje Pik, Moenen, Joost (mag het weten..); Namen van duivels bij de heksenvervolgingen zijn: Barlebos (Komt in volksromans voor als Barlebaen), Belzebuth, Eenhoorn, Croeshaen, Lucifer, Malcus, Pollepel, Reyn, Sathanas, en Struys): In volksverhalen over de duivel gaat het meestal om een list waardoor een man zijn ziel toch niet aan de duivel hoeft te geven. Ook verschijnt hij plotseling bij uit de hand gelopen kaartspelletjes. (Sinninghe – Limburg 117)

duivel-Florence

Dún(n)aters (Duineters) (Schiermonnikoog, Ameland) Deze kleine mannetjes wonen in de duinen en zijn ca. 5 centimeter groot, bruin en harig. Ze kunnen zich als ze willen ook heel groot maken. Ze zorgden voor de kleine baby’s alvorens ze door moeder en vader uitgezocht werden. Als ze in een kwade bui zijn duwen ze de kleintjes onder het zand tot ze het zand opeten. Een meisje had zoveel zand opgegeten dat ze er een bult op de rug van over had gehouden! (van der Kooi 56, de Blécourt – Verhalen 101)

Dwaallichtje (stallichtje, droglichten, dwaaslichten, hiplichten): In Duitsland ook elflicht genaamd en dan veroorzaakt door een elf die je wil doen verdwalen. Meestal gezien als de ziel van een misdadiger of een ongedoopt kind in de vorm van een – vaak blauw – lichtje. Hij doolt meestal rond op de plaats van een misdrijf,  in het moeras of boven een plas.  Het kan je doen verdwalen en dan verdrinken in het moeras. Hij is te verlossen door het zieltje alsnog te dopen. Wie dat doet kan het wel overkomen dat hij plots door wel duizend lichten wordt omringd die ook gedoopt willen worden, en dat hij zo bezig blijft tot aan de ochtendstond. Men kan zich onzichtbaar maken door zich in te smeren met het vet van dwaallichtjes. Het dwaallichtje kan ook een voorloop zijn van een later te bouwen huis of aan te leggen kanaal of spoorweg. (Teenstra 129, Sinninghe 57, Sinninghe Drenthe 24, Brabant 36 van den Bergh 38)

will_o_the_wisp

Elfen: Zie alven

Elf-rib (Tientoner) (Noord-Holland): Een watergeest in de vorm van een hond die in een put of sloot woont en kinderen meeneemt die te dicht bij de sloot of in het donker nog buiten zijn. Het zou de geest zijn van koning Radboud. Blijkbaar werd de Elf-rib in de achttiende eeuw nog geassocieerd met de dansende dood getuige een prent in het Rijksmuseum. (http://www.verhalenbank.nl/items/show/13331, Coetzee – die Afrikaanse volksgeloof, https://www.rijksmuseum.nl/en/collection/BI-B-0705-37)

Engel: Komt nauwelijks voor in de Nederlandse folklore. Eén maal wordt een dominee behoed voor een moordaanslag door zijn ‘waakengel’. Hij ziet er uit als een gewoon mens. Een andere keer is er sprake van een ‘doodsengel’ die een ziel moet komen halen. Ze vlucht echter weg en valt dan in de sloot, alleen door een nat pak te halen kan de engel haar meenemen. (Tjaard de Haan – Friesland 203, de Jong – Sagen en legenden 30)

Eunjer: Geest van een heks die een stroom oversteekt op een drijvende eierschaal. Ook stelen ze graag lijken. (van Lennep 37

Flabbaert (Clappaert) (Vlaanderen): Een rode geest of alf die spookt in het open veld. Als hij je hoort vloeken pakt hij je bij je nekvel beet en duwt je onder het water of werpt je door de lucht. (Sinninghe, vd Bergh 59)

Flodder (Noord-Brabant, Holland): Wezen dat zijn klauwen over de schouders van zijn slachtoffer legt en zich dan laat dragen. Met geen mogelijkheid is deze geest af te werpen. De ene keer laat hij zich zien als een zwarte hond, dan weer als een kat, maar vaak zie je niks en voel je alleen de loodzware last op je rug, terwijl natte kikvorspoten je nek omstrengelen. Een diender die snoefde dat hij de Flodder wel zou vangen, voelde plots de onzichtbare vracht op zijn schouders. Hij werd door het geestwezen langzaam maar zeker naar het water van de beek gedrukt tot hij verzoop.. (Sinninghe – Brabant 55, Sinninghe – NL sagenboek 26, Sinninghe – Hollands 53)

kludde2

het Gloeiend paard (Gelderland): een brandend paard dat op oude heidense plekken verschijnt. Met zijn poten verzengd hij het gras. (Sinninghe – Gelderland 32)

de Gloeiige (Noord-Brabant): Zie Vuurman. Laat mensen schrikken door als zwart voorwerp op de weg te liggen om dan bij nadere inspectie de ongelukkige omver te gooien en weg te lopen. Hij wil ook wel eens een paard of kar vastzetten, zodat het zelfs met een zweep niet in beweging komt. (Sinninghe – Brabant 43 http://www.twiedel.nl/diverse/gloeiige.html)

Goede Kinderen: Naam voor huisgeesten die voorkomt in het gedicht van broeder Geraert: ‘Goede kinder in goeden trouwen’ (vd Bergh) (Noot 2)

Griepke: (Uddelermeer, Veluwe, Zeeland) Boze watergeest. Wie dit duivelse wezen met vurige klauwen wil uitdagen die roept: Griepke, griepke grauw, als je me hebben wilt, grijp me dan gauw! Dan zal het grote, zwarte monster uit het water komen en op je rug springen. De geest komt ook voor in Zeeland waar het rijmpje even anders is: “Griepke, griepke, grauw, zonder tand en zonder mouw”. Hier wordt die geest ook wel Ossaert genoemd. (Sin. – Zeeland, Perné – Veluwse sagen)

DeathofPegPowler

Grijpvogel (Stellingwerven, Friesland)): Andere naam voor de griffioen. Deze vogel heeft het bovenlijf van een adelaar en het onderlijf van een leeuw. Hij heeft prachtige rode, zwarte en witte veren. Hij woont in lindebomen. Hij slaapt een maand en dan op de eerste vrijdag van de maand verlaat hij zijn nest. Dan spiedt hij naar onrecht en onraad en beschermt zo Stellingwerf. Hij zorgde voor een storm die een groot deel van de streek onder water zette en redde zo Stellingwerf van plunderende soldaten in 1673. Vandaar dat hij opgenomen is in het gemeentewapen. (Wielick 23)

Griffioen

Haspelvrouwtje (Brabant): Benaming voor een kaboutervrouwtje. Ze waren heel behulpzaam. Hielpen vrouwen in barensnood en verzorgden zieke vrouwen. Ook maakten ze het werk af van overwerkte vrouwen. Als je ze kwaad maakte dan krasten ze met hun nageltjes je huid vol of ontvoerden ze je naar hun onderaardse holen. (Janssen 156)

Hazelworm: De koning der slangen wordt ook wel hazelworm genoemd. (In andere verhalen is het een ringslang.) Nu weten wij dat dit geen slang is, maar dat was vroeger anders. Deze specifieke hazelworm is wit en heeft een kroontje op zijn hoofd en kan alleen gevonden worden onder een hazelstruik met midzomer. Wie hem dan stoort riskeert zijn leven. Wie dan zijn kroontje rooft zal altijd wijs zijn. Dit is echter een gevaarlijk karwei; alle slangen zullen je achtervolgen en de koning zelf neemt zijn staart in de bek en rolt als een hoepel achter je aan! (Blöte-Obbes 83)

Basilisk, Gesner, Historiae Animalium

Heggemoeder (Heksenmoeder): Een vrouwelijk nachtspook dat haar slachtoffers ziekte brengt. Zij bewoont de dichte heggen van hazelaarstruiken. Vooral kraamvrouwen maakt zij het lastig. Zij kan je koorts geven, maar ze kan het je ook ontnemen. Je kan de koorts stoppen door een turf in te kerven en dan in het vuur te werpen om tot as te verbranden, de heggemoeder zit dan op de turf. Van den Bergh speculeert dat als het om de hellemoeder gaat het een vorm is van ’s duvels moer of grootje, de moeder van de duivel. (Ter Laan 31 Teenstra 184, Sinninghe Gelderland 22, vd Bergh 87)

Heks: De heks is slechts een geestwezen voor zover ze uit haar lichaam treedt en dan onmogelijke dingen doet zoals in de lucht vliegen. Oude woorden voor de heks in haar nachtvlucht zijn: haegtesse, haghedis, kolrijdster, motte en eunjer of ungher (waarvan ook eunjereieren komt voor de eivormige vruchtbeginsels van stinkzwammen). Toverpot, toverkol, toeverse, Tsjoenster (Fri) slaat meer op haar macht om kwade toverkunst te bedrijven. Zie ook: https://www.abedeverteller.nl/dansen-als-katten-en-bijten-als-wolven-heksenvervolgingen-in-amersfoort-en-nijkerk/

Hellehond (Zwarte hond, spookhond): De duivel of een geest in de gedaante van een zwartharige hond met gloeiende ogen. Vaak draagt hij ijzeren kettingen. In Hoog-Soeren is het de metgezel van de witte juffer. De late wandelaar kan hem ontmoeten.  (Sin. – Zeeland 171, Gelderland 35)

Hémänneken (Overijssel): Roept voortdurend hé, hé, tot je antwoord. Dan springt hij op je rug en maakt zich zwaar. Hij kijkt je dan over de schouder met gloeiende ogen aan. Alleen hij wie een mes draagt waar nog een broodkruimeltje aan zit wordt met rust gelaten. (Sin- Overijssel 35)

Hiplichtje (zie Dwaallichtje)

Hommelstommel (Groningen): Naam voor een duivelse verschijning, van boven paard en van onderen mens. (Ter Laan 125)

Houwvrouw (Meltevrouw, Barende vrouw, varende vrouw, dolvrouw, bontevrouw, windsbruid, winddrolle) (Limburg, Vlaanderen): Op hete zomerdagen zie je haar in de trillingen van de hete lucht over de Afferdsche heide. Al trillend en draaiend trekt zij door de lucht en neemt alles wat licht is met zich mee. Zij rust daarna uit in de onderaardse woning van Aart met de grijze baard, de koning van de alvermannetjes en Wielant de smid, koning der kabouters.
In Belgisch Limburg is de houwvrouw een stormwind die de graanschoven omver blaast en meters hoog meeneemt. Het is een wolkbreuk, wervelwind of dwarrelwind. Houw en meltevrouw betekenen beide de huwende vrouw. Mogelijk zag men de opstijgende en weer neerdalende wind als een teken dat hemel en aarde een huwelijk aangingen. (Sin. – Limburg p.221, P. Kemp – Limburgs sagenboek, http://www.volksverhalenbank.be/mzoeken/zoeken_Detail.php?ID=11122, http://www.dbnl.org/tekst/_ver025191201_01/_ver025191201_01_0063.php)

Hunen (Huinen, Hunnen) (Drente en Overijssel): Reuzen die de hunebedden en huneborgen hebben gemaakt. Als een hune je de hand wil schudden pas dan op! Een boer gaf uit voorzorg de steel van de mestvork die door de hune tot pulver werd gewreven.  (Sinninghe – Overijssel 20) Zie ook: https://www.abedeverteller.nl/het-verhaal-van-de-hunebedden-duivelskut-of-reuzengraf/

Ikker (Hulst): Naam voor een watergeest, zie Nikker. Zij trekken zwemmende mannen naar beneden en zuigen ze daar het bloed uit. Vondel en Bilderdijk noemen ze al. (Teenstra 101)

Jipenessen (Vlaanderen): Vrouwelijke kabouters of zigeuners. Ze woonden in onderaardse holen en heuvels. Ze deden s nachts de was voor mensen in ruil voor een bord pap. Ze konden vuur maken tegen schuren en graanmijten aan zonder brand te stichten en aten graag kattenvlees. Als zij zin hadden in een boerenjongen dan feesten en dansten ze, gaven hem drank en deden hun willetje met hem. Als ze wakker werden was de jongen duidend mijl van huis. De jipenessen gaven hun oude moeders de verdrinkingsdood of ze begroeven haar levend en zeiden dan: “Kruip erin oude moeder, ge zult in een andere wereld jong worden.” Jipenessen is een verbastering van ‘gypsy’ oftewel zigeuner. Het heeft ervan dat in de sagen de kabouter en de zigeuner met elkaar vermengd zijn geraakt. (Sinninghe – Oude volksvertellingen 26-27, http://www.volksverhalenbank.be/mzoeken/zoeken_Subset.php?StartRow=50&MaxRows=25&Zoek=Verzamelaar&Term=P.+Henderickx)

Kabouter (Klaboutertje, Klabouterman, , Kaboutermenneke, Coubouten, Eviemannetje, Heinmannekens, Hetsemannetje (Limburg), Tillen (de Peel), Witjes (naam voor kaboutervrouwtjes) (Komen iig voor in Noord-Holland, Limburg en Brabant): Vaak  goede huisgeesten, maar soms ook bewoners van holle bergen. Als je een beetje eten voor ze neerzet geven ze geluk aan het huis en zijn bewoners. Als je hun eten bederft vertrekken ze of veranderen in plaaggeesten. Ze zijn gekleed in groen of rood. In later tijd werden de kabouters als geesten in de verhalen verward met kabouters als kleine mensen, lilliputters.. Ook de ‘kleine mensen’ woonden nogal eens afgelegen in holen in de grond, werkten ‘s-nachts, waren afkerig van het geloof en leenden huisraad. Dit kwam omdat ze door hun ouders verstoten werden en door de pastoors als ‘duivelskinderen’ werden beschouwd.  (Teenstra 100, vd Bergh 122, van Reen, Sinninghe – Hollands 23) Zie ook: https://www.abedeverteller.nl/de-fallische-kabouter-romeinse-en-griekse-voorlopers-van-de-huidige-tuin-en-huiskabouter/ en https://www.abedeverteller.nl/de-oorsprong-van-de-kabouter-deel-twee/

Lutin_by_godo

Keutel: Zie Dreutel

Kladdegat (Hattem):  Generaties van Hattemers hoorden ‘s nachts het gehuil van Kladdegat, de spookhond van Hattem. Deze lag in de kelders van het Spookhuys aan de ketting. Het Spookhuys is een deel van het verdwenen kasteel de Dikke Tinne. (http://spannendegeschiedenis.nl/de-middeleeuwen/hattem-spookhuys)

Kludde (Brabant, Vlaanderen): Plaaggeest die vele vormen kan aannemen. Hij kan zich in een kat, kikker en vleermuis veranderen en zelfs in een boompje. Als boom groeit hij plots tot ver in de hemel, tot hij in de wolken verdwijnt. Als hond springt hij op de rug van een mens. Als oud, mager paard gaat hij er met zijn ruiter vandoor om hem in een vijver af te werpen. Soms is hij een watergeest in de vorm van een grote hond met klauwen en uitpuilende ogen. Aan zijn lichaam hangen ijzeren kettingen. Hij woont in holle bomen en laat zich dragen. Andere keren is het een benaming voor de weerwolf. De Kludde wordt geboren uit het verbrande lijk van een heks of tovenaar.  Hij loopt dan direct het veld in almaar kludde, kludde roepend. Als het monster op je afkomt, moet je het een zakdoek naar de kop gooien, dan is hij verplicht het draadje voor draadje te verscheuren. (Ter laan I 67 en II 39, Janssen 126, Sinninghe – Oude volksvertellingen, 83 vd Bergh 124)

kludde

Koalemen’ke: (Limburg) Een geest uit de steenkolenmijn van Limburg. Het verhaal over de mijngeest Kasper uit de Emma-mijn te Hoensbroek is een twintigste eeuwse verdichting.  (‘t Koalemen’ke – Gerard Lemmens)

Koolhaas: De geest van het koolzaad die zich in de laatste garve zou verschuilen. Deze wordt door de boerenarbeiders bij de oogst van stro nagemaakt en in het veld verstopt. (Ter laan 37)

Korenwolf: (Limburg) Een beest dat zich laat dragen als je ‘s nachts nog buiten loopt. Hij zou in het koren huizen. Kinderen werden bang gemaakt voor de korenwolf. Het is de vraag of er een connectie is met de hamstersoort. De korenwolf wordt ook wel verward met de weerwolf. (http://www.verhalenbank.nl/items/show/17888, Meertens – Volkskunde Atlas 176)

Kyrië (Kempen): Naam van de koning der kabouters. Kyrië betekend heer in het Grieks. Hij woont in de kabouterberg in een van de grafheuvels op de hei van Hoogeloon. Hij werd helaas door een jager getroffen en gedood. Sindsdien kan men een kabouter klaaglijk horen uitroepen: Kyrië is dood! De kabouters hebben na die dood allemaal het gebied van de Kempen verlaten. (http://www.verhalenbank.nl/items/show/51277)

Laakmannetje: (Grens Gelderland en Utrecht) Geest die over het beekje de Laak zweeft met een lantaarn in de hand. Het was iemand die de grens van het land met opzet verkeerd had gemeten. (Sinninghe – Gelderland 12)

de Lange Man (Vlaanderen): Een hoge, zwarte schim in de gedaante van een mens. Hij loopt niet, maar zweeft over de grond met gesloten benen, een stijve hals en hangende armen. Hij beschermt de late wandelaar. (Sinninghe 115)

Lange Wapper (Antwerpen): Watergeest die zich in vele gedaanten – zoals kat, hond en mens – kan veranderen. Vaak heeft hij zeer lange benen. Hij leeft meestal in de zwarte modder van de gracht onder een brug. Hij verandert zich bv. in een jongen die met de andere jongens meespeelt tot hij grote ruzie heeft veroorzaakt. Ook verandert hij wel in een zuigeling en schreit tot een jonge moeder uit medelijden hem de borst geeft, dan verandert hij zich plots weer in een grote man om haar hard uit te lachen! Zijn grappen lopen soms dodelijk af en daarom ziet men in hem een duivel. (Sinninghe – Oude volksvertellingen)

LangeWapper

Lodder (Loeder) (Vlaanderen): Plaaggeest die zich in vele gedaantes kan veranderen. Hij kan ook onzichtbaar met ratelende ketenen iemand oppikken en meevoeren. Hij houdt ervan mensen bang te maken bv. door zich te veranderen in een grote zwarte hond en ze dan aan te staren. Vervolgens maakt hij zich lachend uit de voeten almaar zeggende Lodder, Lodder.. (Thorpe 587)

Maanje Klop (Groningen): Een behulpzaam kaboutertje met een hamer, die ‘s nachts aan boord van de vissersschepen van Delfzijl allerlei klusjes opknapte. (Mank spouken en spenelmboardjes -Wim Faber)

Man met de Haak (Limburg): Benaming voor een watergeest met een zwarte huid en groene ogen. Hij heeft een wilde baard van waterplanten. Tussen zijn tenen heeft hij zwemvliezen. Hij zuigt het bloed uit de gevangen kinderen en houdt hun zielen in omgekeerde kruiken gevangen. Als je de kruik kan omstoten dan verlos je de ziel.

Mare (maar, nachtmerrie, nachtmaarte, nachtmoeder): Boze geest of elf in de gedaante van een oude vrouw die ’s-nachts als je slaapt op je borst kruipt. Je wordt benauwd, maar je kunt je niet bewegen. Zij bezorgt je een nachtmerrie. Vaak berijdt het wezen ook paarden in de nacht, terwijl het paard tegelijkertijd ook gewoon in de stal blijft staan. De volgende ochtend is het paard bezweet en de manen zijn vervilt en in de war. Als er in de ochtend nog vuur brandt in de haard, kan de mare de volgende nacht terugkeren. Nachtmerries kunnen ook mooi zijn. In die vorm kunnen ze de slapende ‘natte dromen’ bezorgen. De mooiste van zeven dochters zou door de duivel onderwezen worden hoe ze nachtmerrie kan worden. Broeder Thomas zegt het volgende over de nachtmerrie in zijn ‘over de Natuurkunde’ (14e eeuw): ‘Onghelouighe lude segghen, dat syn eenrehande Inde, dia des nachts moghen ouervaren vele lands ende dat die doen wonder als sy onderlinghe vergaderen ende heyten gemeen liken onghehuer lude of nachtmerien: ende dat waren dia engel goedsmer nu sijnt die duuel die die lude bedrieghen mit menigherhande drochgneinye. In ttverehande manieren soe bedrieghen die duuel den mensche in sinen slaep, die een maect hem ghelyc eenen man ende bedrieghet den wiuen in hueren slaep: die ander maect hem ghelyc enen wiue ende bedrieghet den mannen in hoeren sloep.” (Ter laan 97, vd Bergh 156) Zie ook: https://www.abedeverteller.nl/de-nachtmerrie-is-een-vampier/

nightmare_148011794

Marolde (Graafschap, Drenthe): Olde Marolde (de oude mare?) wordt in een Drents gedicht genoemd als een heks die spiernaakt door de lucht vliegt. Ze rooft de kinderen uit de wieg en gaat naar de heksensabbat. Door middel van een rijmpje kunnen mensen aan haar de koorts overdragen: ‘Olde Marolde, Ik hebbe de kolde, Ik hebbe ze now, Ik gève ze ow, Ik bind em hier neer, Ik krieg em neet weer.’ Daarvoor moest men eerst drie maal om een oude eikenboom lopen of er een kouseband omheen binden. (Tjaard de de Haan – Groningen 72, http://www.dbnl.org/tekst/beer004onze01_01/beer004onze01_01_0014.php)

Meerman: Rond het jaar 130 nC zouden er een menigte meermannen gezien zijn voor de kust van Friesland. Ze hadden baarden van zeewier en kroos groeide op hun rug. Twee van hen stapten aan wal en zwierven een poosje rond tot ze weer de zee in verdwenen.
Enkhuizer vissers  hadden ooit een meerman in hun net gevangen. Hij zag er angstaanjagend uit met kroesharen en een wierbaard. Echter door zijn kracht en woestheid moesten de vissers hem weer laten gaan. (Sliggers 77, Franke 130 en 311)

Minnie-Dibdin-Spooner-The-Forsaken-Merman-The-Golden-Staircase-1906

Meermin (meerwijf, zeewijf, zeemeermin): Schepsel half vrouw, half vis. Meestal bezig met het kammen van haar haren, het kijken in een spiegel of met het zingen van verleidelijke liederen. Zo verdronk zij menig zeeman. Een aantal malen is zij volgens de sagen, maar ook historische kronieken beland in de netten van vissers. Zij heeft menig havenstadje (Muiden, Westerschouwen) – na een slechte behandeling – vervloekt dat het nooit groot zal worden of zelfs zal verzinken onder de golven. (vd Bergh)

Waterhouse_a_mermaid

Nachtridders: Luchtgeesten of duivels die in de lucht vlammen maken. Zij worden genoemd in de klucht ‘Nu Noch’ (1400) en in de Natuurkunde van het Geheelal (14e E) van broeder Geraert. (Teenstra 83, vd Bergh 161)

Nachtwerkertjes: (Werkgeesten) (Holland, Utrecht) Als je midden in de nacht uit de werkplaats druk getimmer e.d. hoort dan zijn dat de nachtwerkertjes. Het is een voorbode voor veel werk aan de winkel. De werkgeesten zijn anders. Zij dwingen je om in je slaap het werk dat je overdag hebt gedaan nog eens over te doen. Zodat je de volgende dag hondsmoe bent.. Het kunnen echter ook dienaren van de duivel zijn die in de naam van een tovenaar het mest in één keer over het land uitstrooien. (Sinninghe 24, Heupers I, 1)

Nikker (Bommelnecker, Nikkerman, Nekker, Ikker, Okkerman, Nekkerman. Lokale namen zijn: Piet met de Haak , de Akervent of de Slokkevent, Krolleboes): Een zwarte watergeest die in het moeras, in  sloten en vaarten woont. Vandaar ‘zo zwart als een nikker’. Ze maken warnesten in het riet. Zij loeren op de bodem van het water op de kans om kinderen de diepte in te sleuren en ze dan het bloed uit te zuigen. Ze grijpen ze met een haak. Zij lijken veel op een mens, maar hebben een dikkere kop en rode ogen, rood haar en een pad onder de tong. Ze lokken ook volwassenen het water in door kindergeschrei en hulpgeroep na te doen. Hij houdt de ziel van een verdronkene in een omgekeerde urn gevangen. (Van den Bergh 180-182, Teenstra 104, Janssen 122)

jenny24

Nixe (Duitsland, Gent): Schone vrouwelijke watergeest. Zij kamt haar haren en zingt mooie liedjes. Als je haar wilt benaderen springt ze snel in het water en verdwijnt. Een jongen die haar probeerde te omhelzen kreeg een klap in zijn gezicht. (van den Bergh 183)

nixe

Oschaert (Osgaard, Ossaert, Osschaart) (Zeeuws-Vlaanderen, België): Watergeest. Kan zich in een dier veranderen. Zo hebben mensen hem gezien als een hond, konijn, paard en ezel. Hij komt ook voor als een stier met een mensenkop, die zware kettingen achter zich sleept. Hij springt de reizigers op de rug of nek tot ze van vermoeidheid neerstorten, dan  mishandelt hij ze. Hij gooit de dronkaards in het water. Hij kan zich ook enorm groot maken. Aan de Osschaart werd de eerste vis gegeven als een offer  of afkoopsom zodat hij niet daarna de vangst zou bederven. (Ter Laan 65)

300px-7085976

Oude rode ogen (Mechelen): De verhalen over en signaleringen van Oude Rode Ogen begonnen in de vijftiende eeuw na meldingen dat kinderen op onverklaarbare manier verdwenen. Ze zouden het slachtoffer zijn van een kannibalistische gedaanteverwisselaar. Ooggetuigen verklaarden dat er een grote naakte zwarte man wegrende, nadat hij probeerde een jong meisje uit haar bed te ontvoeren. Er werd op deze man geschoten, waarna hij in een grote zwarte hond veranderde. Niet lang daarna werd een zwarte zwerver nabij Nekkerspoel gelyncht en levend gevild. De huid van deze man zou zijn begraven in de kelder van de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen.

rode ogenVanaf de achttiende eeuw (tot in de huidige tijd) wordt een geestachtige donkere figuur met vurige rode ogen gesignaleerd in Mechelen en omgeving. Er wordt verteld dat hij zijn huid zoekt om weer de gehele demonische figuur te worden die hij ooit was. Tijdens de twintigste eeuw werd de figuur bekend als de nikker, de nekker of de neger. Het wezen zou levende kinderen eten, als ze na bedtijd nog op zouden zijn. https://berichtenuithetverleden.wordpress.com/2011/05/10/de-nekker/

Pikkepoot (Utrecht, Wilnis): Geest die ’s-avonds langs de huizen gaat om kinderen die nog buiten spelen mee te nemen. ((Sin. – Utrecht 187)

de Pok (Friesland): Een kwade geest die zorgt voor broei in het hooi. Als er een zwarte plek in een hooiblok wordt gevonden zegt men dat daar de Pok geprobeerd heeft om brand te stichten. (van der Molen 26)

Pygmeentjes: Gebrekkige dwergen met een bochel. Ze zijn zeer bedreven in de toverkunst. Zij kunnen goed en kwaad zijn. Ze kunnen zich veranderen in een bromvlieg. Als die om je heen zoemt is dat een slecht teken. Een beroemde pygmee is Keutelduimke, die we ook kennen als Klein Duimpje uit het sprookje van Grimm.( Teenstra 98)

Reuzen:  Reusachtige wezens uit de oertijd die nu uitgestorven zijn en rivieren zoals de Waal en de Rijn hebben uitgegraven en heuvels hebben opgeworpen. Vaak gebeurt dit per ongeluk; een heuvel ontstaat waar een reus zijn klompen uitschud of waar zijn voorschoot gevuld met zand breekt. Ze zijn weinig spraakzaam en dragen lompen of huiden als kleding. Ze hadden weinig verstand en moesten het louter van hun enorme spierkracht hebben. In de sprookjes worden ze regelmatig verschalkt door de slimmere mensen. Ze hebben ook de hunebedden gemaakt. Het zijn ook wel geesten of duivels in reuzengedaante. (Teenstra 47, van den Bergh 192)

rackham_giant6

Rogge-Brommerd (Stellingwerven (Fr)): Een roggegeest. De kinderen werden voor hem gewaarschuwd. Soms golft de rogge in de wind zodat het lijkt alsof er een draaikolk in zit. Daar huist Rogge-Brommerd! Soms als hij kwaad was vergiftigde hij de rogge. (Wielick – de Grijpvogel 13)

Roggemoeder (Korenmoeder, lokale naam: Antsje Pluk) (Groningen): Geest van het koren of de rogge die kinderen  die het gewas in het veld vertrappen meesleept. Soms gaat dit wezen ook achter vrouwen aan. Waar de wind de halmen doet bewegen zit de korenmoeder. Als zij in een korenaar knijpt ontstaat het giftige moederkoren. (http://www.verhalenbank.nl/items/show/15873)

Schele Guurte (Schele Guurke) (Gelderland)Een geest in de vorm van een schele oude vrouw. Zij woont in de Schelleguurtjesbelt, dit is een grafheuvel. Met kerstavond staat deze heuvel open en als je er dan langskomt nodigt ze je uit om iets van de rijkdommen die daar zijn mee te nemen. Wordt je hebberig en blijf je te lang binnen, dan moet je daar zeven jaar blijven. Zij wordt gezien als een soort van wit wief. De ‘Geurken’ is een andere benaming voor de witte wieven. (Sin. – Gelderland 5)

Schuimert (Gelderland): Een plaagdier dat met schuim op de bek als wolf of als beer aan mensen verschijnt. (Sin. – Gelderland 22)

Smakhak ook wel Smakpoot of Smakvoet (Groningen): Op de Delleweg bij Stedum spookt een Smakhak. Hij maakt plofgeluiden en schuift langs je heen. Na de derde keer gaat hij weg. Hij ziet eruit als een witte hond. Hij zou een broer zijn van de ‘Widde wiend’. (Laan, K. ter. Groninger overleveringen. Zutphen, 1930. p. 35, http://www.verhalenbank.nl/items/show/42313)

Spinwijf (Spinjuffer): Oude in het wit geklede vrouw die in het maanlicht zit te spinnen op afgelegen plaatsen. (ter Laan 57)

Sommeltjes (Sammeltjes) (Texel, Wieringen): Soort van aardgeesten die in de duinen en op de Sommeltjesberg – een grafheuvel – dansen in het maanlicht. Een kuil bij Stroe wordt de Sammeltjeskuil genoemd. Ze leven ’s-nachts omdat ze niet tegen het zonlicht kunnen. De zonnestralen zouden ze doen verstenen. Ze leenden wel eens een  ketel van de buren, maar betaalden dat dubbel terug.  Ook stalen ze wel eens wat. Kinderen kregen te horen dat de nieuwgeboren kindjes door de sommeltjes werden gebracht. (Blécourt 371, Franke 4)

Spook (schim, geestverschijning): Wederkerende dode in de vorm van een schim of doorschijnende gedaante. Meestal spookt hij rond omdat hij omdat hij een belofte niet heeft nagekomen of geld heeft verborgen. Eerst moet de belofte vervuld worden of het geld gevonden alvorens hij rust kan vinden.

33c9f33218a6cab6054375fb76129a80

Stalkaars: Andere benaming voor het dwaallicht. Een Ziel van een ongedoopt kind dat je als lichtje in het donker achterna gaat. (Sin. – Zeeland 26)

Stampvoet (Brabant): Dit wezen kwam met woest gedruis aanrennen, wierp je tegen de grond en holde dan met zware hoefslag weer voorbij. (Sinninghe – Brabant 58)

Stoep (Stoepstaart) (Gelderland): Geest die bij mensen op  de rug springt en zich laat dragen. Hij laat ook dingen spoorloos verdwijnen. In de Betuwe een naam voor een duivel of weerwolf met een korte staart. (Ter laan 124, Sinninghe – Gelderland 22)

Stommelstaart: Naam voor de duivel in de vorm van een grote zwarte poedel. (Teenstra 29)

Tientônelfrib: (elf-rib, tientoner) (West-Friesland) Rond het dorpje Aartswoud spookt Radbod nog rond als de Tientôn-elfrib (tien tenen en elf ribben). Hij zwerft daar rond met een zak op zijn rug op zoek naar kleine kinderen. Ze worden gewaarschuwd dat hij ze zal pakken en in zijn zak zal stoppen als ze voor het donker niet binnen zijn.
Het monster heeft een grote snoekenkop met scherpe tanden op een mensenromp met schubben. Verder heeft het vinnen in plaats van benen.
Dat het spook van de heidense koning er zo uit ziet heeft te maken met een beroemde legende: Radbod/Redbad stond al met één been in het doopvont toen hij besloot om zich toch maar niet tot het christendom te laten bekeren. Dit doopvont brak in tweeën. Een helft wordt naast het kerkje van Aartswoud bewaard. ’s Nachts komt de Tientônelfrib uit een diepe kolk tevoorschijn en schuifelt door het dorpje naar het kerkhof om daar zijn linkerhand in het halve doopvont te steken. Helaas voor Radboud blijft hij door zijn halve doop, half mens-half vis. Hij zal – ondanks zijn pogingen tot zelfdoop – nooit geheel en al christenmens worden.. 
(van der Tuuk 120)

Tongesnaier (Zeeland): Een lelijke vent die je de tong af zou snijden als je die uitstak om te spotten. (Sin. Zeeland 44)

baaskinderschrik

Trol: Zie Drol

Tsjelwiif: (Wielwijf) (Friesland) Tsjelwiven zijn heksen die op een rad door de lucht vliegen en weinig goeds doen. (van der Molen 140)

Trijewiif (Driewijf) (Friesland): Spookgedaanten die uit de drie heilige wouden van Trynwâlden tevoorschijn komen in de vorm van een witte, rode en zwarte vrouwe met wapperende haren. Zij dansen boven een zwarte altaarsteen om zo een wervelwind te veroorzaken, waardoor de ene van de andere vrouw niet te onderscheiden is. Dan zijn de drie samen het Trijewiif. (Poortinga 97)

Urken (Hurken): Ander woord voor aardmannen, ook gebruikt voor een kleine, onnozele jongen. (Teenstra 97)

Varende vrouwen (Varende heksen): Heksen die op eierdoppen, in een zeef of in mosselschelpen de zee oversteken  om naar Engeland te varen. Zij roeien door de kolkende zee met de punt van een naald.  Worden ook in de middeleeuwse klucht van Nu Noch genoemd en in Natuurkunde van het geheelal van broeder Geraert hier worden ze vergeleken met andere geesten/duivels die ’s-nachts in de lucht vliegen. (Teenstra 83, Ter Laan II 77)

Vuulken (Ulken) (Gelderland): Andere benaming voor witte wieven. Een van hen heet Schele Guurte en bewoont de Guurtjesbelt. Dit is een grafheuvel. Daar gevonden urnen worden ulkenpotten genoemd. (Sinninghe Gelderland 7)

Vuurman (Lokaal; de Gloeiige of de Glène kerel, de Gloeiige Engelsman, gloeiende Gerrit): Vurige spookgedaante die zich in zijn leven een vloek op de hals had gehaald. Hij heeft meestal de vorm van een vlam, soms ook die van een vuurbal of vuurkogel. Het waren vooral onrechtvaardige landmeters en brandstichters, maar ook wel dieven en moordenaars geweest. Dit gebeurde vooral als ze een valse eed hadden gezworen: ‘ik mag eeuwig branden als ik lieg’. In de herfst kwamen de vuurmannen uit de lucht om de schoorstenen te geselen met hun vurige kettingen. (Janssen 109-115)

Vuurman en Onobo

Vurige Landmeter: Degene die een grenssteen of grenspaal heeft verplaatst. Hij draagt deze eeuwig brandende steen op zijn rug. Als je hem ziet  en je hoort hem klagen: ‘Waar zal ik hem leggen?’ zeg dan: “Leg hem toch neer waar je hem vandaan hebt gehaald!’ Hij kan dan zijn steen afwerpen op de plaats waar hij ooit stond. Zo kan je de dolende ziel verlossen. (Sinninghe)

Wanne Thekla (Vlaanderen): Koningin van de elfen, heksen en luchtgeesten. ‘s-Nachts daalt ze af naar de aarde om daar te dansen en springen. Ze drinkt dan  op de Pottelberg. Met de ochtend zeilt ze weg op een prachtig schip over de rivier de Leije. (Thorpe 626)

Waterchinees (Maastricht): Een watergeest in de vorm van een klein mannetje. (Sinninghe – Bokkenrijders 20)

Watergeest: Algemene benaming voor bovennatuurlijke wezens die in het water zitten en die het voornamelijk voorzien hebben op kinderen om deze te doen verdrinken. Voorbeelden zijn: bullebak, boelekerel, bulleketroet (Westland), boesjeude, boezehappert, boezekeerl, krolleman, bieteman, nekker, akervent, hakeman, mombakkes (van een vrouw in Amersfoort gehoord), Jan haak, Pietje haak, pielepoot, Kalle met de haak, waterduivel, Heintje vaar, flodderduvel, kludde, Osschaard, Roeschaard, waterwolf, ijzeren veulen, watermanneke, putmenke, slokkeman, Griet met de lange armen (Meertens nr. 19)

Waterreus (Scheveningen): Reusachtige watergeest die van boven er uit ziet als een mooie man, maar ws. een vissenstaart heeft. Een meisje die zo’n man wil hebben kan hem tot mens maken door drie maal een kruisje te tekenen op zijn voorhoofd. (http://web.archive.org/web/20070312203012/http://home.wanadoo.nl/jjw/legende.htm)

Waterveulen (Volendam): Een veulen dat ooit nabij Volendam uit het water van de Zuiderzee aan wal klom om daar een mooi meisje het hof te maken. Hij gaf haar visjes uit de zee als geschenk. Op een dag klom ze op zijn rug en het beest sprong met haar in de golven en ze werden nooit meer gezien. (Franke 67)

Waterwolf (Brabant, Utrecht) : Geest in de gedaante van een wolf, maar dan met schubben bedekt. Hij glijdt met behulp van twee grote vinnen snel en onhoorbaar door het water. Hij sleurt kinderen het water in. (Sinninghe – Utrecht 181)

Watterswyn (Schiermonnikoog): Een varkensachtige watergeest die de kleine kinderen pakte als ze te dicht bij de golven van de zee kwamen. (de Blécourt – Verhalen 101)

Weerwolf: Meestal mannen die zich in een wolf kunnen veranderen door middel van een gordel van wolvenhuid die ze van de duivel hebben gekregen. Vaak zijn ze de zevende zoon van een zevende zoon. Soms trekken ze ook een compleet vel van een wolf aan. Zij verscheuren dan de dieren in het veld en soms ook mensen. Hij rand ook onschuldige meisjes aan. Een enkele keer kan de weerwolf zich ook in een kat, hond of konijn veranderen. ‘Weerwolven’ is, net als ‘heksen’, een vorm van tovenarij. Het heeft er veel van dat men met ‘weerwolven’ de kunst van het gedaante verwisselen bedoelt. De weerwolf is te verlossen door de huid of de gordel te verbranden.
Soms is de weerwolf een geest die de onvermoede late wandelaar onzichtbaar achterna loopt en als hij angst vertoont op de schouders gaat zitten. Deze vracht wordt almaar zwaarder en de weerwolf watert de wandelaar over de rug. In paniek weet het slachtoffer de weg niet meer en moet verder sjouwen tot de kerkklok gaat luiden. Deze weerwolf wordt in Brabant de ‘Gruune’ genoemd. (Janssen 90, Sinninghe Gelderland 124-127)

IMG_0001 (2141x3024)

Werkgeesten (Zie ook nachtwerkertjes) (Friesland, Groningen): Als het gereedschap niet goed opgeborgen wordt dan gaan ’s nachts de werkgeesten er mee aan de slag. Deze geesten zijn onzichtbaar, maar zeer goed hoorbaar! De mensen horen vanuit hun bed het geluid van het karnen, hout kappen, spinnen, timmeren etc., maar als ze die ochtend gaan kijken blijkt er niets gedaan te zijn. (van der Kooi 58)

Widde Wiend (Groningen): Een Widde Wiend is de duivel in de gedaante van een witte windhond. Hij loopt voor je om je de weg te wijzen. Hij groeit om je bang te maken. Als je hem niet volgt, geeft hij je een knauw. Hij wordt wel gezien als een broer van de Smakhak.. (Laan, K. ter. Groninger overleveringen. Zutphen, 1930. p. 115, http://www.verhalenbank.nl/items/show/42409)

Wilde Jacht (Wilde Heir): In de tijd van de herfststormen en vooral tijdens de Midwinter, wanneer het buiten donker is en koud, dan werd vroeger de Wilde Jacht gezien. Dit ging om één of meerdere geesten die met groot lawaai door de lucht reden. Het kon gaan om één verdoemde, woeste jager die eeuwig moest jagen, maar ook om een compleet jachtgezelschap met vele ruiters en honden. Hiernaast werd met de Wilde Jacht ook wel een geestenleger of een grote schare met geesten bedoeld die door de lucht raasden. Dit wordt ook wel het Wilde Heir (=leger) genoemd. In de sage is er vaak één ooggetuige die dit fenomeen aanschouwt en soms ook een ontmoeting heeft met één of enkele leden van dit gezelschap.
De Wilde Jacht en zijn leider hebben in Nederland vele namen: Helse Jacht, Rebelse Jacht, Jacht van Hänsken met de hond, Tilkesjacht, Telmsjacht, de wilde jacht van Tütü, de Kefkesjacht, De wilde jacht van Tüpis, Knuppeljacht, Turkusjacht, Jacht van de eeuwige Jood, Tieltjesjacht, Juulkesjacht, Jacht van Hakkelbeernd en Jacht van Jakko. Ook van de heiligen sint Hubertus en sint Maarten wordt gezegd dat ze de Wilde Jacht aanvoeren. Zie ook Wilde Jager. (Overijssel 31)

Wilde Jager: Ziel van een man – vaak een voornaam persoon – die persé ook op zondag moest jagen. Hij werd gestraft door eeuwig in de lucht door te moeten jagen. Als je hem met zijn gevolg door de lucht hoort jagen is het een hels lawaai met een geblaf van honden en het schallen van hoorns en het joelen van de jagers. Wie hem tegenkomt is zijn leven niet zeker: hij moet mee jagen of hem wordt de nek omgedraaid. De wilde jager zou met de kerstnacht alles wat nog los op het erf staat meenemen of naar elders verplaatsen. Hij heeft verschillende lokale benamingen bv. Jakko, Dirk met de Beer, Beerneken van Galen, de Eeuwige Jood, Hubertus, Hakkelberend, Hänsken met de hond, Lodewijk van Nassau (Sinninghe 60, Sinninghe Limburg 47, Gelderland 19-20, Overijssel 31)

Wisselkind (Dikkop, Krielkop, Wechselbalg (Duits)): Elfenkind dat het ontvoerde mensenkind moet vervangen. Vaak ook een oudere elf, die de schijn van het mensenkind heeft aangenomen. Hij schreeuwt voortdurend en eet onnatuurlijk veel, toch groeit het wisselkind nauwelijks.

Fairy_changeling

Witte juffer(s)of vrouwen (o.a. Gelderland):  Spookverschijnsel in de vorm van vrouwen in witte jurken die ’s-nachts dansen in de maneschijn. Wie met hen gaat dansen zal dit niet overleven.

IMG_0003 (1431x2024)

Witte vrouwe (Friesland, Gaast): Witte vrouwelijke, zwevende gedaante die volgens een sage de beschermster zou zijn van de vissen en vogels en zelfs het aangespoelde juttersgoed aan de Friese Zuiderzeekust. (Wiersma 96)

Witte wieven (Witten, witvrouwe, Havelte: Old wiefien Platvoet) : In het wit geklede vrouwelijke geesten, meestal drie, die in de grafheuvels of wievenkuilen wonen. Zij worden geassocieerd met de nevelslierten die over het veld hangen. (Teenstra 84, Sinninghe Drenthe 15, Sinninghe – Overijssel 5) Zie ook: https://www.abedeverteller.nl/witte-wieven-nevelslierten-en-grafheuvels/ en https://www.abedeverteller.nl/witte-wieven-wit-hier-bring-ik-oe-t-spit/

Älvalek

Wolf (Korenwolf, Roggewolf) (Duitsland, Mecklenburg, wellicht Limburg): De geest van het koren of de rogge bevind zicht in de laatste garve in de vorm van een wolf. Vaak deed de laatste maaier of ze zelf de wolf was geworden. De wolf is onzichtbaar en alleen te bemerken door het golven van het koren in de wind. Dan maakt hij het koren vruchtbaar of haalt hij juist de aren van het koren af. Kinderen die in het koren lopen worden door de korenwolf opgevreten. Het is de wolf met zes benen.

Woutermannetjes: (Ameland) Kleine mannetjes die in de duinen wonen en de wandelaars ‘s-nachts met spelden in de benen prikken. (W. Dykstra 229)

Zeekalf: (Harderwijk) Dit is een enorm zeegedrocht met vurige ogen, een kwijlende bek en poten als die van een vleermuis. Schippers die teveel vloeken kunnen hem aan boord van hun schip krijgen. Als ze maar tot God bidden zal dit duivelse dier van hen weg vluchten. (Franke 45)

Zeemeermin/man: Zie meermin of meerman

Zeeridder:  (Friesland) In 1305 werd er op  volle zee een zeeridder gevangen. Hij had een harnas aan en een helm op. Hij zag er mooi uit met een grote snor en een weelderige haardos, echter beiden waren van zeewier. Na zijn gevangenschap sprak, at en dronk hij niet. Hij werd in vele steden en dorpen van Friesland vertoond. Maar na drie weken stierf hij al in Dokkum. (Sliggers 76, Ter Laan 78, Franke 309)

Zwarte juffer (Zwarte wijf) (Groningen): Boze geest in de vorm van een rouwende vrouw. Ze brengt ongeluk. Als je haar ziet, zal er binnenkort iemand uit je naaste familie sterven. (ter Laan 30)

Als er elfen, geesten of andere wonderlijke wezens uit de Nederlandse of Vlaamse volkscultuur ontbreken in deze lijst dan hoor ik het graag! Graag dan wel met vermelding uit welke bron, boek of artikel dit wezen te vinden is.

Dit artikel is onderdeel van het boek ‘Witte wieven, weerwolven en waternekkers’. Dit boek is hier te bestellen.

Abe van der Veen

Noten:

1) Deze opsomming is onder te verdelen in de volgende categorieën:

Geesten die de holle ruimten in heuvels of onder de grond in de natuur bewonen/ aardegeest: Aardmannetjes, alven, alvermannetjes, aulken, drol, dreutel, haspelvrouwtje, kabouter, sommeltjes, Urken, Wisselkind

Goede huisgeesten: Alvermannetje, kabouter

Luchtgeesten: Alvina, Barende vrouwe, Nachtridder,

Watergeest: Meerman, meermin, waterreus, witte vrouwe, zeeridder

Boze watergeest die je wil doen verdrinken: Boezehappert, Bornes, Bullebak, Elf-Rib, Griepke, Ikker, Kludde, Lange Wapper, man met de haak, Nikker, waterwolf

Vuurgeest, dolende ziel in de vorm van licht of vuur: Barneman, Blauwbroek, de Gloeiige, Laakmannetje, Vuurman, vurige landmeter

Kinderschrik, angstopwekker: Bietebauw, Bloedzuiper, Tenensnijder, Bloedpater, Boeman, Pikkepoot, Tongesnaier (In deze geesten werd door de volwassenen niet meer geloofd, maar waren handig om kinderen ervan te weerhouden dicht bij de sloot te lopen, in het koren te gaan, met vreemde mannen mee te lopen of om in het donker nog buiten  te zijn.)

Geest van het koren of het gewas (Meestal ook gebruikt als kinderschrik): Bloedzuiper, bloedpater, Koolhaas, roggemoeder, Rogge-brommerd, korenwolf

Geesten van ziekte en ongemak: Blauw wolkje, heggemoeder, de Pok, Marolde, Mare

Angst opwekkende nachtgeest, meestal in de vorm van een dier: Belleman, Börries, Bullebak, Drommedaris, Duivekater, Gloeiend paard, Hellehond, Hommelstommel, Kludde, Lodder, Osschaert, Schuimert, Stampvoet, Stommelstaart

Nachtgeest die de late wandelaar plaagt door op zijn rug of schouders te zitten en zich zwaar te maken: Blauwe Gerrit, Flodder, Osschaert, Stoep, weerwolf

Beschermende nachtgeest: de Lange man

Dolende mensenziel: Assepoester, Barende vrouwe, Beeldwit, Budde, Dwaallichtje, Stallichtje, spook, wilde jager, witte juffer, zwarte juffer

Mens die de gave bezit uit zijn/haar lichaam te treden om dan door de lucht te rijden: Beeldwit, Bokkerijder, heks, mare, Marolde, Nachtridder, Varende vrouwen

Mens die van gedaante kan verwisselen: Weerwolf

Geesten van wijze vrouwen of voormalige godinnen (nauw verwant met de aardegeesten): Witte vrouwen/wieven: Witte juffer, Schele Guurte, Trijewiif, Vuulken

Grote natuurgeesten: Reuzen, Hunen

Wezens overgenomen uit de mythologie van de elite en in de folklore terechtgekomen: Basilisk, Draak, Grijpvogel/Griffioen, hazelworm/ koning der slangen, alruin, duivel, engel

2) Klucht van Nu Noch (1400): ‘Ic wil u belezen en besweeren, Ende ‘manen, bij al dat u mach deeren, Bij ‘nachtrudders ende bij ‘avond troncken, Die ‘achter den hoven de belle ‘cloncken, Bij ‘cocketoij sen, bij ‘neckers, bij ‘maren, Die bij nachte duer de locht varen, Ende bij den ‘drollen int weer ‘weghen, Bij catten die te danssen pleghen, Tswoensdaechs, ende bij ‘varende vrauwen, Dat ghij zecht, up goeder trauwen, Wat u ‘letten mach of ghebreken.

Natuurkunde van het geheelal 14e E Broeder Gheraert: 709 ff. Duvele die sijn in die lacht, Ende doen den mensche dicke vrucht (angst) Si connen oec wel maken vier, Dat ons vlamme dinct schinen hier, Dat si schieten onderlinghe. Daer seghet men of vele dinghe. Nachtridders heten si, Ende sijn duvele ” ic segdi ” Haghetissen ende varende vrouwen, Goede kinder in goeden trouwen, Coubouten, alven, nickers, maaren  Die hera smorghens openbaren, Ende comen halen vier. Maren heten wise hier Minne; het sijn duvelen alle, Die ons gherne brochten te valle.

Literatuur:

Bergh, Laurence Philippe van den – Proeve van een kritisch woordenboek der Nederlandsche mythogie 1846
Blécourt, Willem de e.a. – Verhalen van stad en streek
Dykstra, Waling – Uit Frieslandsch volksleven I en II
Franke, S. – Sagen en legenden rond de Zuiderzee 1932
Jansen, Ben – Het dansmeisje en de Lindepater
Laan, K. ter – Nederlandse overleveringen I en II
Molen, S.J. van der – Frysk sêgeboek
Otten, Johan – Duivelskwartier 2015
Perné, Gustave – Veluwse sagen
Poortinga, Ype – It fleanend skip
Sinninghe, J.R.W. – Oude volksvertellingen
Reen, ton van – Klein volk

Sinninghe, J.R.W. – Drentsch sagenboek
Sinninghe, J.R.W. – Utrechts sagenboek
Sinninghe, J.R.W. – Gelders sagenboek
Sinninghe, J.R.W. – Noord-Brabants sagenboek
Sinninghe, J.R.W. – Nederlands sagenboek
Sinninghe, J.R.W. – Overijssels sagenboek
Sinninghe, J.R.W. – Oude volksvertellingen

Sliggers, Bert – Meerminnen en meermannen
Teenstra, Marten Douwes – Nederlandse Volksverhalen 1843
Tjaard de Haan ed. – Onze volksverhalen (alle delen)
Waling Dykstra – Uit Friesland’s volksleven I en II 1895
Wielick, Han – De Grijpvogel
Wiersma, J.P. – Friesche sagen
Wolff, Johan Wilhelm – Niederländische sagen 1843

28 reacties op “Van aardmannetje tot zwarte juffer: Een lijst van Nederlandse en Vlaamse elfen en geesten

  1. Wat zijn het er veel! ‘Maanje Klop’ is er trouwens ook nog. Dat is een behulpzaam kaboutertje met een hamer die aan boord van de vissersschepen van Delfzijl allerlei klusjes opknapte, ‘s nachts.
    Ik kwam hem tegen in het boekje ‘Mank spouken en spenelmboardjes’, een verzameling volksverhalen uit Groningen door Wim Faber.
    Groetjes,

  2. Hallo Abe,
    ‘bij nachtridders ende bij avondtroncken, die achter den hoven de belle cloncken’.
    in de nog niet vast staande grammatica van de middeleeuwen mag je de dt voor d en voor t lezen. Waarmee het in deze zin heel goed een avonddronk = avonddrankje zou kunnen zijn.

    de belle is het glas, zoals wij nog steeds vaak spreken over een “bel wijn” in Gelderland.

    Hoor graag van je, hoe jij dat leest.
    Vertellers groet, MArgot Otten

    • Hallo Margot,
      Dit is wat het MNW er van maakt: Avonttronck: Een woord van duisteren oorsprong, niet te verwarren met Avetronc (zie ald.). V. d. Bergh, Mythol. 9, geeft de gissende verklaring avondschender, en meent er eene samenstelling in te zien van avond en tronc, van een ww. troncken, bij Kil. truncare; een geest dus, die des avonds allerlei kattekwaad doet om de menschen te plagen of te verschrikken. Willems wil avetronc lezen en vergelijkt het met mhd. abetroc, phantasma, ons droch (Belg. Mus. 2, 116). De oorsprong van het woord is dus niet met zekerheid bekend.
      Ik houd het toch op een soort van geest daarom. Het tweede deel van de zin zou idd kunnen slaan op het doen klinken van een glas wijn oid, een geest zal niet snel zelf (mogelijk gewijde) bellen of klokken doen klinken..

  3. Tienuurshond, Twaalfuurshond, Trekkebeen, Vrouw-met-de-boeren-koolstronk, de stem uit het water, oude beer, erfluis, griesgat, heilicht, negenuurshond, ijzeren veulen, meuzelmanneke, trekkebeen, werkgeesten

    (uit Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe, verzameld door E. Heupers)

    Blinde Belie, Zwarte Belie, IJzeren hand, de vrouw in de snijbonen, de koning der vissen, sint elmusvuur, stalkaars

    (uit Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant, verzameld door Henk Kooijman)

  4. Nu weet ik eindelijk waar de naam Geurken vandaan komt. Mijn familie komt oorspronkelijk uit Vorden dus dat verklaard een hoop! Dank hier voor!

  5. Die verklaring die achter “Dreutel” staat… Dat waarschijnlijk Groningse versje. Zeggen ze in Groningen dan ook Pake en Beppe tegen “Grootvader” en “Grootmoeder”? Ik dacht dat dit typisch Fries was?

    • Het versje is mij persoonlijk verteld door een vrouw uit Sebaldeburen dichtbij de Friese grens. Mogelijk komt beppe en pake in zulke grensstreken wel voor? Officieel Gronings is het idd niet. Ik heb het rijmpje ook nergens anders meer kunnen vinden.

    • De wadmol is een – ergens in de jaren tachtig door waarschijnlijk een natuurclub – bedacht fantasiewezen. Het is een practical joke om te zien of iemand goedgelovig genoeg is om aan te nemen dat dit wezen bestaat. Het is de vraag of ik zoiets aan de lijst toe moet voegen. Dit hangt er ook van af of het door de plaatselijke bevolking is overgenomen of niet. Mijn lijst bestaat uit sagenwezens van honderd jaar oud of ouder..

      • Toch ben ik gefacineerd met de wadmol.
        Dan heb ik nog de Rixt van oerd van Ameland en de ketelmannen van Schiermonnikoog. En wezens zoals zeemonniken en eilandwalvissen

        • Rixt is geen geest-achtig wezen, eerder een eenzame oude vrouw, hooguit een heks. Zeemonniken ken ik alleen uit de bestiaria en komen niet voor in sagen voor zover ik weet. Eilandwalvissen? Die ken ik nog niet! Ketelmannen was voor mij een twijfelgeval omdat het om overleden drenkelingen gaat. Maar goed, ik heb ook vuurmannen e.d. in de lijst, dus die ga ik nog wel toevoegen 🙂 Wat betreft waddenverhalen ken je het boekje Waddenlegenden van de Weerd? Is wellicht wel de moeite waard..

          • Nee nog niet, ik ga het eens opzoeken. Ook het nieuwe boek dat je hebt uitgebracht staat op mijn verlanglijst. Zelf wilde ik ook een boek schrijven over bovennatuurlijke wezens van de lage landen. Ik ging het meer in de stijl van een veld gids maken met eigen toevoegingen van ook andere germaanse folklore. Nu heb ik alleen nog wat aantekeningen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.